Twee platen in één jaar bracht Belle And Sebastian uit, en dus hoort bij dat 1996 het epitheton ‘gezegend’. Omdat dat dit jaar precies dertig jaar geleden is, bracht de groep die in Paradiso dan maar allebei, twee avonden op rij.
Zelf weet ik het niet meer, maar ik kan me voorstellen dat het voor veel generatiegenoten in het geheugen gegrift staat, dat ogenblik waarop Belle & Sebastian hun leven binnenkwam. Ook bij mij was het sowieso dat: iets met een Voor en een Na, een Moment. Noem het: een waterscheiding. Vanaf dan zou het leven anders zijn.
Zo, en niet anders, was het eind jaren negentig. Of je vond Belle And Sebastian te truttig voor woorden, of je ontdekte plots een troupe waar je bij thuis kwam. Je was een verloren, eenzame wolf, die zijn roedel vond; één van gelijkgestemde, verlegen zielen, die zich verloren in een wereld van boeken en dromen, van fantasie.
Het was toen en daar, op die morsige studentenkoten, dat Lisa uit “She’s Losing It” een heldin werd, omdat ze zich niet meer liet doen, Judy een soort manic pixie dream girl, alleen maar omdat Stuart Murdoch haar “dreams of ho-oh-oh-orses” toedichtte. Je wist niet wat hij daarmee bedoelde, maar je voelde het wel; hoe hij het zong, daar ging het om.
Het was de kwetsbaarheid die zijn liedjes destijds zo bijzonder maakte. Belle & Sebastian stak de kop op in een nineties die nog wat nasurften op het machisme van grunge, in de jaren waarin Britpop zijn brallerig stadium bereikte, en ergens in Schotland vond een hoopje werkloze twintigers daar niets aan. Het jaar was 1996 en als werkbegeleidingsproject mochten ze enkele demo’s professioneel opnemen. In Paradiso, net als in die immer voortsnellende werkelijkheid daarbuiten, was dat maandag en dinsdag allemaal alweer dertig jaar geleden. Dat is terecht reden voor een feestje, en dus stond de band daar met eerst debuut Tigermilk onder de arm, en een dag later If You’re Feeling Sinister.
“De engineer spoelde de tape terug, en liet ons horen wat we hadden opgenomen”, klinkt een fragmentje documentaire voor het Tigermilk-concert van maandag. “Het klonk vreselijk. De moed zonk ons in de schoenen.” Het kwam uiteindelijk goed, dat weet je, en dat weet ook Murdoch wanneer hij bij aanvang grijnst “welcome to the first recording session of this new band. Good luck, studio.”
En dus begint het met “The State I Am In” en die geweldige zin “My brother had confessed he was gay / it took the heat off me for a while”, want wie meer dan drie decennia bestaat mag dat hele integrale albumspelen zonder schaamte omarmen. Het zorgt er ten minste voor dat je al eens iets onverwachts krijgt. “I Don’t Love Anyone” hebben ze nog nooit gespeeld, zegt frontman Murdoch, en hij legt in één beweging uit hoe hij toen zijn geloof in de liefde was verloren na weer maar eens gedumpt te zijn.
Even mooi is een dag later “Get Me Away From Here I’m Dying”. Alweer zo’n heerlijk trippelend nummer, waarin Murdoch zingt: “think of it this way: you could either be succesful or be us”. Het is het clublied van de outcasts, de verlegen muurbloempjes, “with our winning smiles” en “our catchy tunes or worse”. De band kleurt het prachtig in.
Wat een muzikanten zijn het ook. Voortdurend wisselen ze van instrument. De bas gaat van links naar rechts, een viool maakt plaats voor een melodica of toetsen. Een cello komt kijken waar het past, een dwarsfluit is ook altijd een optie, en zoveel als mogelijk is er die heerlijke trompet. Hij schettert “She’s Losing It” – dat over boze Lisa – de stratosfeer in, maakt “My Wandering Days Are Over” nog een beetje beter.
Er is ook “Electronic Renaissance”, waarvoor gitarist Stevie Jackson de keytar omgordt. Het is dan ook een vreemde eend, dit springerige elektronische dansnummer. “Dancing to Tigermilk”, glimlacht Murdoch. “Dat zou dertig jaar geleden geen waar geweest zijn.” Elders wordt dan weer voorzichtig gerockt met “You’re Just A Baby” of een “Me And The Mayor” dat van Jackson een pittige mondharmonica meekrijgt.
Het eindigt die tweede dag met “Judy And The Dream Of Horses”. De band zet het voor de gelegenheid ingehouden in, zodat de uitbarsting des te meer als een joyeuze ontlading voelt. Murdoch duikt in de finale op met een paardenkop op het hoofd; zelfrelativering zit in Schotland in het noodpakket.
De bisronde is voor het nu. Wie zo in het verleden is gedoken, wil natuurlijk tonen dat hij ook vandaag nog goed materiaal te verkopen heeft. Al is het besef er ook dat dat altijd in de schaduw zal staan. “Zelfs mijn vrouw heeft onze laatste plaat nog niet beluisterd”, lacht Murdoch, wanneer hij maandag “Do You Follow” van op Late Developers inzet. En je hoort in die toegift hoe hier plots een ander Belle And Sebastian staat: niet langer de verlegen prutsers uit het begin, mar een groep die door jaren optreden professionele muzikanten zijn geworden, en een gerodeerde machine. Dan hoor je bijna gladde, vlotte soulpop als “Funny Little Frog” of “Step Into My Office, Baby”, en zie je een frontman die de microfoonstandaard heeft durven loslaten. Murdoch zoekt de rand van het podium op, danst zelfs.
Het is wanneer Murdoch voor “The Boy With The Arab Strap” zoals gewoonlijk publiek op het podium uitnodigt, dat de ontroering er finaal inhakt. Het zijn niet de veertigers en vijftigers die daar staan te dansen. Ik kijk naar mezelf twintig jaar geleden. Daar staat een jonge versie van mijn vriendin. Het zijn de jongens en meisjes van nu, die vandaag met de wereld worstelen, en voorzichtig hun eigen ongemak leren omarmen, die daar zo mooi staan te springen. Die nu redding vinden in de dromen van Judy en Lisa.
Neen, dus. Belle And Sebastian is geen band van het verleden. Tigermilk en If You’re Feeling Sinister vinden nog steeds hun weg naar tienerkamers en rommelige studentenhuizen, en daar staat op posters op de muren hetzelfde als immer:
“leve de muurbloempjes.”



