Met Wendy and Lucy, Certain Women, First Cow en de westernballade Meek’s Cutoff kroonde de in Miami geboren Kelly Reichardt zich tot lieveling van de moderne Amerikaanse auteurscinema. Ze volgt het in de Belgische bioscoop onuitgegeven Showing Up uit 2022 op met een atypische caperfilm die tegen de achtergrond van de Vietnamoorlog speelt.
In het ironisch getitelde The Mastermind vertolkt Josh O’Connor een werkloze timmerman in een slaperig voorstadje die het weinig snuggere brein is achter een kunstroof. Om zijn gezin financieel beter te kunnen onderhouden, besluit de man op klaarlichte dag vier schilderijen van abstract pionier Arthur Dove uit een museum in Massachusetts te ontvreemden.
The Mastermind situeert zich in een periode waarin Amerika in een diepe politieke en sociaaleconomische onrust verkeert. Dat is natuurlijk een kolfje naar de hand van Reichardt, die in haar films vaak deze thema’s aankaart en waarbij ze haar focus legt op de dagelijkse overlevingsstrijd van gewone mensen. Reichardt heeft altijd al een fascinatie gehad voor buitenstaanders en voert personages ten tonele die steevast op zoek zijn naar betere leefomstandigheden of zich aan de rand van de maatschappij bevinden. Hier is de protagonist een innemende maar onbekwame dief die uit een bevoorrecht milieu komt, maar wiens leven in het slop is geraakt. Hij is een stuntelige vader van twee kinderen die zich wat tegen wil en dank verzet tegen een systeem en geconfronteerd wordt met z’n eigen tekortkomingen.
Films over een grote overval die alle problemen van de baan moet ruimen zijn er bij de vleet. Het is een beproefd concept binnen de Amerikaanse cinema waar Reichardt op haar eigen manier een persoonlijke draai aan geeft. The Mastermind is dan ook een film die minder over het misdrijf zelf gaat, dan wel over de nasleep ervan. De cineaste en scenariste liet zich naar verluidt inspireren door gelijkaardige feiten (toen in mei 1972 twee gemaskerde mannen aan de haal gingen met enkele dure kunstwerken van Paul Gauguin en Pablo Picasso, uit het Worcester Art Museum) en ontleedt het genre met humor en precisie.
Uit dit alles groeit een fijnzinnige karakterstudie die met souplesse over het doek rolt en vrolijk speelt met de verwachtingen van het publiek. Reichardt construeert de film op haar gebruikelijke ingetogen manier. Ze hanteert een schijnbaar achteloze stijl die bedrieglijk eenvoudig lijkt maar weloverwogen is. Blogger Massimo Volpe vat het bondig samen wanneer hij schrijft dat The Mastermind even sober als ogenschijnlijk onbeduidend is, maar in werkelijkheid boordevol betekenis zit inzake de analyse van maatschappelijke systemen en hoe de generatie van de jaren negentienzestig ondanks de rebellie die systemen mee bestendigde. The Mastermind werd ook passend opgezet als hommage aan de New-Hollywoodcinema van de jaren negentienhonderdzeventig en doet bij momenten wat denken aan een Robert Altman-film, of de vroege kluchten van Joel en Ethan Coen. De film is nooit flamboyant maar eerder laconiek en een heuse oefening in stille observatie. Het is geen klassieke misdaadfilm, maar een soort minimalistische roadmovie met een zwijgzame antiheld die geen enkele weg (meer) op kan.
De ouderwetse charme die The Mastermind uitstraalt, is voor een groot stuk te danken aan zijn retro-look. De korrelige textuur van de beelden en onopgesmukte esthetiek, de warme belichting van Reichardts vaste fotografieleider Christopher Blauvelt en het gebruik van bruintinten: het draagt allemaal bij tot het welslagen van de film en de manier waarop de bruisende sfeer van de seventies weer tot leven wordt gewekt. Bovendien wordt dit nog extra in de verf gezet door de jazzy soundtrack van Rob Mazurek die de prent op passende wijze voortstuwt. The Mastermind bevestigt andermaal dat Reichardt een van de meest eigenzinnige stemmen blijft uit het hedendaagse filmlandschap.



