Vrijdag 16 januari: Om ter mottigste Jommekeskapsels
En dat we dus zullen doorgaan, want al die bandjes van vrijdag checken zichzelf niet. We duiken in de derde sprakeloze nacht, op adrenaline en goesting. En omdat het moet.
20.10u. Simplon Up. Lang, lang geleden, op een Eurosonic-avond in 2014, stal de Noorse cosmic disco van André Bratten ons hart in de kleine bovenzaal van de Simplon. Sindsdien weten we dat dit de plek is voor gezellig blieperige dance, en dus trekt het voltallige team in dansmariekespas naar dat donkere huis van vertrouwen. De jongens van Why Kai zijn landgenoten van Bratten, en er moet daar toch echt iets in het drinkwater zitten, want dit knispert en groovet minstens even lekker. Pianist Kai von der Lippe en drummer Elias Tafjord – die een wedstrijdje om ter mottigste Jommekeskapsel houden – gieten een vette, Stuff.-achtige jazzsaus over hun tropische beats, waarop het bijzonder aangenaam hobbelen is. Songs als “Tourist” en “Petanque T-shirt” doen dromen van betere tijden, met zon, koude pintjes en een goed plekje links vooraan in een zweterige festivaltent. Is het al bijna zomer?
20.50u Simplon Future Utopia is het project van Fraser T. Smith. Die naam moeten we even context meegeven: we spreken hier over een man die meeschreef aan Adeles “Set Fire To The Rain” en Stormzy’s debuut naar Grammywinst producete. Het is misschien uw meug niet, maar het is niet verkeerd om te zeggen dat hij zich tussen de grote meisjes en jongen begeeft en weet waar hij mee bezig is.
IJdelheid is echter des duivels favoriete zonde en ook hier is dit egoproject van een anders zo succesvolle producer tot niets anders dan de vergetelheid gedoemd. Smith staat helemaal in de linkeruithoek van het podium, zangeres Molly J. kon niet verder rechts staan en om onduidelijke redenen drumt de heer Sweetstix in een doorzichtige plastic booth. Ze mikken met hun pasteloranje getinte kledij op een warme eighties-Miami Vice-discovibe, maar ademen toch vooral kille afstandelijkheid met een sound die evenveel diepgang heeft als een vel papier – daar kunnen die speels bedoelde toefjes “Funkytown” van Lipps Inc of “Better of Alone” van Alice Deejay niets aan veranderen.
Je zou het gebakken lucht kunnen noemen, maar zelfs daar is de muziek eigenlijk nog te lauw voor. Er zijn vele campings verspreid over Europa waar dit geheid op een donderdagavond de cafetaria in de fik kan zetten (dus die zomertoernee waarmee hij dreigt op het einde van het optreden zit al snor), maar waarom een man met zo’n renommee zich op dit podium met een onding als Future Utopia wil tonen, is één groot raadsel.
21.30u. Simplon Up. CLARAGUILAR spelt haar naam in farse hoofdletters, en zo staat ze hier ook achter een batterij toetsen en synths, volledig in cool zwart en met een ongenaakbare strengejuffenblik. Ze is niet boos, denken we, wel gefocust: de ambient-elektronica met een vleugje klassiek van Figura is hier immers enkel het vertrekpunt voor een deels geïmproviseerde set die ze minutieus in elkaar staat te knutselen. Dat Clara Aguilar – soms is een artiestennaam snel gevonden – uit de kunstensector komt, is te merken aan de geschifte lichtopstelling die haar omringt, met een stuk of twaalf lampen die op trippy wijze de beats volgen. Erg fijn om je een minuut of twintig door te laten hypnotiseren, zeker wanneer CLARAGUILAR het tempo wat opdrijft en er flarden donkere drum-‘n-bass in de set opduiken, maar na een tijdje heeft onze aandachtsspanne het ook wel weer een beetje gehad. It’s not you, Clara, het is gewoon Eurosonic dag drie.
22.30u. Mutua Fides Het is echt wraakroepend wanneer je een half optreden mist door een meter van het begin van de wachtrij met je vingers te zitten draaien, om dan tot je verbijstering een maar driekwartvolle zaal binnen te wandelen. Wat een organisatorisch geklungel, mensen! En het moet ook voor de drie fransozen van SERVO niet erg fijn zijn. Zeker wanneer het wél aanwezige publiek duidelijk nog een of andere sectorborrel aan het verteren is. We zagen SERVO al eens flink indruk maken op het kleine barpodium van TRIX, dus we wisten wel dat we hier oerdegelijke, dreigende, strak gespeelde postpunk met klauwen en tanden op ons bord gingen krijgen. En ja hoor, “Glitch 2.0” en “Day and Night Monsters” vanop de geweldige plaat Monsters staan nog steeds als een huis. We krijgen zelfs tot onze blijdschap een nieuw nummer voorgeschoteld, wat ons hoop geeft op nieuw studiowerk dit jaar. Maar we kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat het niet knettert zoals we verwachtten. Ligt het aan het volume in de zaal, het gezapige publiek, postpunk-burnout in de sector, of gewoon een mindere dag van de band? Misschien is het een combinatie van dit alles, maar we weten dat dit SERVO op topniveau een Mutua Fides makkelijk de baas kan. Snel dat nieuw album uitbrengen en met frisse goesting weer de baan op, gasten!
22.30u. Forum Expo. Erg aandoenlijk hoe blij Noemie Bunk van Willow Parlo is om hier te mogen staan, al is het genoegen niet geheel wederzijds. Niet dat ze geen songs kan schrijven, maar de radiovriendelijke, dromerige indie die dit Hamburgse bandje brengt, is zo ongelooflijk netjes, zo veilig, zo niksig – haar drummer met zijn Turnstile-shirt had er waarschijnlijk zelf ook meer van verwacht. “Godless”, “Can’t Get Enough”, “Spinning”, het zijn allemaal volstrekt inwisselbare, brave vertelsels die het vermoedelijk prima zullen doen in de gemiddelde koffiebar, maar hier morsdood vallen. “My Father’s Eyes” is een lichtpuntje, met zijn War On Drugs-gitaar, “All I Want” het eerste moment waarop je voelt dat er misschien toch wat pit in deze band zit – zonde dat we daar tot het einde op moesten wachten. Met een guitig “ik wil graag een appelgebak met slagroom alsjeblieft” pakt Bunk nog snel de Duolingo-award af van Gans, maar muzikaal wint Willow Parlo voorlopig geen prijzen.
22.50u Machinefabriek Het is de speld die je kan horen vallen wanneer Jelle Denturck halverwege het optreden de voorzichtige pianotoetsen van “Jaouad” door de haast bomvolle Machinefabriek laat rollen, die zo indrukwekkend weerklinkt. Voor een festival waarop het gekwetter van de aanwezige Nederlanders en vertegenwoordigers uit de industrie vaak even luid klinkt als de muziek, heeft Dressed Like Boys iedereen dit keer voor de volle veertig minuten bij zijn nekvel vast.
Nummers zoals “Healing”, “Nando” of “Lies” worden rechttoe-rechtaan gespeeld. Pianoballad of zonnige-pop-met-een-randje? Daar draait deze veelzijdige band zijn hand niet voor om. Enkel “Jaouad” en “Stonewall Riots Forever” krijgen een woordje uitleg mee opdat ook de buitenlanders zodoende het kippenvel op hun armen kunnen plaatsen. Nergens breekt Dressed Like Boys het kot af, maar wel harten in duizend stukjes. “Pinnacles” had een momentje kunnen zijn – het kreeg een full force Neil Young-gitaarsolo mee in de uitgesponnen brug – en de eerste armen gaan de lucht in, maar die buit Denturck niet uit om zwaai- of zangspelletjes te doen, waardoor de show als geheel eigenlijk alleen maar aan soliditeit wint. De vuisten worden gebald na afsluiter “Stonewall Riots Forever”, heel sereen en daarom des te krachtiger. Hier zijn vanavond harten veroverd.
22.50u. Vera. Hier hadden we zoveel van verwacht, maar het mocht niet zijn. Nightbus weet alle goeds van debuutplaat Passenger niet waar te maken, en speelt een concert dat als los zand aan elkaar hangt. En dat het ongelofelijk rommelig klinkt, is maar het begin van alle ellende, het zit ook in hoe de band er niet in slaagt om strak de zaal mee te nemen in zijn verhaal. Ligt het aan de elektronische onderlaag die volledig uit het geluid verdwenen lijkt? Met een traditionele band rond zich, lijken Olive Rees en Jake Cottier vergeten wat hen zo bijzonder maakt. Wég zijn de echo’s van The XX, de breakbeats die al eens doen denken aan Burial. Wat overblijft, zijn songs die in ongemakkelijke kleren het helle licht niet aankunnen. Erg, erg jammer.
23.30u. H. N. Werkmanslyceum. Gelukkig is er al snel Naya Mö die de fijne herinneringen aan haar passage op Left Of The Dial gestand doet met een alweer puik optreden. Van een jonge singer-songwriter – type zeventienjarig meisje met gitaar – ontpopte ze zich tot rockchick die hier met een drummer aan haar zij behoorlijk indruk maakt.
Het knalt, het scheurt. “Dealing With Ghosts” is een potige opener, die meteen de modus operandi spelt. Naya Fellonneau trapt haar pedalen in, haar drummer gaat loos op zijn kit, en daarboven zweven dromerige shoegazevocalen. Het geeft haar songs een droompopcachet, mocht dat genre een stevige, nachtmerrieachtige variant kennen, en culmineert in een bloedmooie finale waarin single “Wanderlust” ronduit schittert.
23.30u. USVA. “It’s nice to see… some faces up here”, aarzelt Barbora Hora, al lijkt ze stiekem best tevreden met het kleine kluitje dat zich in de USVA verzameld heeft voor haar lievige indiefolk. Hora is een singer-songwriter van de introverte soort, die haar intieme, tedere gitaarsongs aan elkaar praat met de warrigste bindteksten van het hele festival. “I don’t wanna talk much, because I’ve been adviced not to” – wie haar dat verteld heeft, weet niet hoe leuk een beetje onbeholpenheid kan zijn.
Wanneer ze zingt, is het moeilijk om niet aan Adrianne Lenker te denken: Hora’s stem heeft niet alleen een heel gelijkaardige klankkleur, haar nummers barsten bij momenten ook van precies dezelfde verbeten schoonheid. Dat ze nog niet van Big Thief-niveau zijn, deert niet, het hart dat erin klopt is groot genoeg om te overtuigen. Intussen wordt het steeds voller in de zaal, met een publiek dat gelukkig het Fabeltjeskrantprincipe “oogjes toe en snaveltjes dicht” huldigt, zodat “Perseids” en “Lullaby” – oh, die schitterende cello! – zachtjes kunnen openbloeien. “This is like the biggest event I will ever play”, meldt ze halverwege, en tóch hopen we dat er nog ergens een markt is voor ontroerende Tsjechische folkmeisjes.
00.10u. Vera. Dat de zware metalen elk jaar minder aan hun trekken komen op ESNS, merken we al een tijdje op, maar dit jaar staat er slechts één echte metalband op Eurosonic. Qua neusophalen naar een genre kan dat tellen. En met de IJslandse progressieve post-metal van Múr kregen we nu ook niet meteen het hipste aller metalgenres voor de kiezen. Nu goed, deze gasten zijn duidelijk fans van Gojira, die na hun fenomenale stunt op de Olympische openingsceremonie tot de cirkel der groten van de metalwereld mochten toetreden. Múr bedient zich rijkelijk van hetzelfde midtempo beukwerk, gitaareffecten en stembereik, en voegt daar een keytar (jawel!) aan toe. In de handen van de wel héél erg langharige zanger Kári Haraldsson – (bvp)’s dochters willen weten wat voor shampoo hij gebruikt – lijkt dat ding meer op een buitenmaats kapmes, maar een echte slachtpartij richt het ding niet aan. Het geeft de sound van de band wel een leuk industrialtintje, maar écht meer dan wat leuke effecten, een solootje of in het beste geval wat extra lagen tonen om de bas wat meer boost te geven, horen we er eigenlijk niet van.
Het zijn hier vooral de gitaren en drums die het zware werk op zich nemen, en met zowel loodzwaar als dynamisch spel duidelijk maken dat deze kerels een flink pak kunnen spelen. Maar naar het midden van de set toe trapt Múr helaas in de valkuil waar hun genregenoten ook massaal versukkelen. Veel nummers lijken qua tempo, riffs, vocalen en algehele vibe zodanig op elkaar, dat de aandacht al snel verslapt, en wij sneller dan gewild in het ijle beginnen staren en ons afvragen tot hoe laat Der Witz nog open is, wat we volgende week gaan eten, of waarom je als je met je vinger in je oor kotert dat geluid verdacht veel op pacman lijkt. We zitten de rit tot het einde uit, en pikken daardoor nog het lekker heftige slotnummer “Múr” (vanop debuutplaat Múr, tja…) mee. Het is een uitstekende afsluiter van een degelijk, maar weinig inspirerend optreden. Zet deze IJslanders deze zomer maar op een metalfestival in de buurt. Van ons mag het.
00.30u. Vera Laatste esbattement van een – laat ons eerlijk wezen – matig festival valt te beurt aan het Ierse Bucket. In het zoeken van een bandnaam hebben deze piepjonge Dubliners nul moeite gestoken, hopelijk valt dat van de muziek niet te zeggen. Maar miljaar, wat voor een oplawaai krijgen we hier rond onze oren? De vlammende noiserock van dit drietal doet ons meteen denken aan het heftigste van The Jesus Lizard, Dazzling Killmen, Death Grips of een betonmixer die de trap afdondert.
Het drietal gaat ook tekeer als duivels in wijwatervaten, met gitarist Cian Dahdouh voorop als bezeten waanzinnige. Gitaar- en basgeluiden zoeken steevast de grenzen van het menselijk begripsvermogen op, en drummer Josh Dorrell zit zò onwaarschijnlijk strak te spelen, dat het lijkt alsof hij van kindsbeen af gedwongen werd om minstens drie verschillende muziekstijlen tegelijkertijd te spelen. Zo waanzinnig gaat het er aan toe dat we soms – wanneer zanger Dahdouh een van zijn microfoons helemaal in zijn mond propt terwijl bassist/baritongitarist Emmett McNamee zijn instrument haast aan gruzelementen speelt bijvoorbeeld – beginnen te vrezen voor onze eigen mentale gezondheid.
Zeker is wel dat de laatste horde een van dé ontdekkingen van het festival oplevert. Tot aan het gaatje gaan levert dus wel degelijk iets op, denken we maar, wanneer we Cian Dahdouh maniakaal met zijn gitaar zien zwaaien.
00.50u Grand Theatre Califato¾ begint wegens ernstige technische problemen ⅓ van een uur te laat voor een zaal die op dat moment nog voor ⅞ gevuld is, met een publiek dat zin heeft in een feestje waarin flamenco en traditie vermengd wordt met ¼ punk, ¼ elektronica en ¼ rock. Dat leest als een spannende update van Ojos de Brujo of Mano Negra op steroïden, maar wordt vakkundig de nek omgewrongen door frontman Manuel Chaparro die alles wat zweemt naar een nummer platlegt door zijn veel te lange bindteksten 100/100 in het Spaans te brengen.
Engels hoeft niet zaligmakend te zijn en diversiteit maakt de schoonheid van het boeket dat het Europese continent is, maar de basistheorie van communicatie vereist toch enige connectie tussen zender en ontvanger. En als je dat niet kan, dan moet je vooral je klep houden en de muziek laten spreken. Maar ook daar slagen deze Andalusiërs niet in wegens geen enkele voldragen song. De basis is hiphop met samples, trompetten en gefluit en er zitten ergens dansbare beats onder het geheel, maar dit gaat met horten en stoten. Het hangt als los zand aan elkaar en na ½ show druipen we af – samen met nog vele anderen.
00.50u. Mutua Fides. “Gatverdamme, wat is het smerig hier.” Terwijl de corpsballen van op het balkon op hen neerkijken – kunnen ze goed, dat addergebroed – monstert Kaboutertje Putlucht-zanger Barry de omgeving: yup, hier voelen ze zich wel thuis. En dus knalt “Kindje slaan” ook lekker hard. Noem het gabberwave, hooligandreunen; bruut en aanstekelijk tegelijk.
Deze band leek lang een gimmick, maar het is Kaboutertje Putlucht wel degelijk menens. Het zal ooit wel begonnen zijn als grap, maar in de Mutua Fides staat het Nijmeegse ongeintrio op een zucht van een eerste full-album, en dat belooft een ernstige draai aan de onnozelheid te geven. Barry: “het afgelopen jaar ben ik teringslecht gegaan, dus daar gaan alle nieuwe nummers over”, en hij vertelt hoe hij in therapie is gegaan, “dus nu ben ik alleen maar verdrietig”. Yup, die bonkige reus is tegenwoordig all about mannelijke kwetsbaarheid.
“Oma” is geen nieuw nummer, wel een ode aan die “powervrouw” met hij “samen naar de Zwarte Cross naar de wall of death” ging. De wavy synths van Hessel Josemans geven het een donkere monotone vibe. In het hobbelende “Hete brij” houdt de toetsenist dan weer een heel erg Kift-aandoende theatrale interventie. En horen we daar een zweem van melodie in nieuwe single “C’est la vie”?
Het is nog altijd allemaal heel erg lomp, platter dan een Goldbandshow, maar tegelijk zit er ook emotionele intelligentie achter. En het is ook steevast rete-aanstekelijk. Barry heeft de gave van een goed meebrulbare slogan als een gescandeerd “Ik heb geen empathie”, maar weet ook wat echt belangrijk is. “Je moet ook zelf de rotzooi opruimen en er is een hoop rotzooi”, spreekt hij. “Kijk naar dit gebouw, kijk naar de wereld. Ruim de rotzooi op. En begin bij jezelf.”
Ware woorden zijn het, en met die goeie raad in de oren pakken we nog een afzakkertje in Café Der Witz, waar te weinig Orval in de frigo zit. Niemand weet nog een goeie woordspeling te bedenken, het is echt wel op. De batterij is dan toch plat.
Bandjes checken: het is slopend, zeggen we u.



