Eurosonic 2026 :: Rotzooi met een zweem van melodie

Donderdag 15 januari: De tactiek van de verschroeide aarde

Gisteren was gisteren en na die eerste ietwat lauwe dag mogen we vandaag eindelijk terug van de ketting om Eurosonic in full force te beleven, en dat betekent: laveren op de fiets tussen allerhande zwalpend volk onderweg naar de verschillende zaaltjes. Dit is hoe het echt hoort te zijn.

20.00u. Forum Expo.     “This song is called “Means Something”. It really means something to me.” Je hoopt maar dat Filiah het zelf zo tongue-in-cheek bedoelt als het overkomt. Het getuigt in dat geval van een soort humor die in haar kurkdroge, overernstige poprock niet te vinden is. Met een competente maar bloedeloze bende werkmieren achter haar vertellen de songs van de Oostenrijkse over meisjespijntjes die ze droog inleidt met zinnen als “Wie wil een triest nummer horen? Ach, het is niet zó triest” of “Deze heet “People Just Change”. En daar gaat dit nummer ook gewoon over. Easy.” Het klopt tot ze haar gitaar aan de kant zet en voor een nummer als pure zangeres over het podium gaat hossen. Dan hangen de songs plots met haken en ogen aan elkaar, mist alles flow en swing. En dan heet haar laatste nummer nog “Atlas”. Zouden we haar durven vertellen over Pommelien?

20.10u Machinefabriek.     Wesley Joseph vertrouwt ons toe dat dit zijn eerste optreden is in drie jaar tijd. Hij heeft zich opgesloten om aan de opvolger van zijn debuut GLOW te werken dat ons drie jaar geleden al aangenaam wist te charmeren nu het wachten op een nieuwe Frank Ocean wel erg lang begint te duren. De Brit maakt spacey en abstracte neo-soul met een haast achteloos nonchalante vibe, maar dat slaat vandaag over in schijnbare onverschilligheid. Joseph staat moederziel alleen op het podium van de Machinefabriek, zwalpt wat van links naar rechts over het podium en draait af en toe een pirouette bij een invallende bassdrop. Hij mag dan wel meermaals zeggen heel dankbaar en blij te zijn om op Eurosonic te mogen spelen, maar je zou het hem niet nageven. Af en toe lipt hij een woordje mee met de soulzang op de backingtracks – enkel de strofes rapt hij live. Daarin gloeit de belofte van een groot potentieel, maar het dooft telkens weer te snel uit. De bassen denderen loeihard doorheen de zaal die het hele optreden lang beleefd goed gevuld zal blijven, maar dat ligt eerder aan de goodwill van het publiek en de kwaliteit van het studiowerk dat op tape staat. Aan Josephs comateuze performance zal het in elk geval niet gelegen hebben.

20.50u Simplon Main     Hiphop zoals het wél moet en kan. De knallende performance van Tracy de Sá kan geen hardere confrontatie met de narcoleptische egotrip van Wesley Joseph zijn. Al van bij de eerste seconde betrekt ze werkelijk iedereen in de zaal en zijn we vertrokken voor veertig minuten beenharde en opzwepende raps, verweven met reggaeton en Indische invloeden. Die laatste zijn nog een restant van het oerconservatieve gezin waarin deze artieste opgroeide en waaruit ze zich wist te ontworstelen toen ze op vijftienjarige leeftijd Lil’ Kim en andere sterke hiphopvrouwen ontdekte.

Haar muziek doet bij momenten denken aan Lorna maar Tracy heeft geen papi chulo nodig. Ze is op haar eentje aan een kruistocht bezig om de vrouwelijkheid te vieren, and then some. Rood is haar glittertopje met drie voorgevormde tieten, rood is de backdrop met daarop een collage van vulvatekeningen, ze twerkt met haar in rode broek gehesen kont en ze roept de dames op om vooraan te komen dansen voor een ‘poom poom party’. Hier wordt de tactiek van de verschroeide aarde toegepast: als een weergaloze furie gaat ze tekeer in een dolgedraaide medley waarin samples van haar heldinnen Lauryn Hill, Missy Elliott, Eve en Gwen Stefani door de mangel worden gedraaid. “When I say pussy, you say power!”

Er valt niets tegen te beginnen, iedereen moet en zal bewegen. Als een omgekeerde Medusa tovert ze zelfs de ergste zoutpilaar (m/v/x) om in een wild bouncende bruisbal. Ze sloopt de Simplon simpelweg met de ene na de andere kermisbeat die haar dj op de zaal afvuurt. Wie erbij is, weet dat we om half tien al hét feestje van de avond achter de rug hebben.

“I see you guys like pussy over here.” Het zal nog niet, Tracy.

20.50u. H.N. Werkman Stadslyceum.     Er zijn van die groepjes die je het liefst in één van de Groningse kerken ziet spelen, of desnoods zelfs in een meurende kelder – kom terug, News Café, alles is vergeven en vergeten. The New Eves moet het vanavond helaas met een sfeerloze schoolrefter doen, en dat maakt het knap lastig om je helemaal te laten betoveren door de theatrale hekserij van dit woeste folkkwartet. Aan de band zal het niet liggen: de viool en cello wringen en schuren, Ella Oona Russell staat haar drums enthousiast de vernieling in te roffelen, en de meerstemmige, net-niet-valse zang doet elk nekhaartje opspringen, maar toch lijkt er iets te ontbreken.

Het redmiddel? Een dwarsfluit, begot, waarmee Russell “Rivers Run Red” op gang blaast, een fors gedeclameerd gedicht met een nerveuze cello die de eerste rare dansjes van de avond uitlokt. Het intense moordverhaal “Highway Man”, voortgestuwd door de boze bas van Kate Mager, is nog beter: celliste Nina Winder-Lind schreeuwt steeds uitzinniger dat “riding riding riding”, terwijl rond haar een storm van gitaar- en vioolchaos opsteekt en het bloed nog net niet van het podium druipt. The New Eve Is Rising, heet hun debuutplaat: wees daar maar zeker van.

21.30u. Vera.     Waarna we in de rij belanden voor die immer populaire hangplek Vera. Het is zoals de Fransen zeggen: “on Vera quand on Vera”. Uiteindelijk raken we toch binnen bij Glazyhaze, en met zo’n naam moet dat wel shoegaze zijn dat deze Italianen brengen. Noem het: Slowdive met meer power, Ride met geagiteerde gebaren. En dat laatste wil ook zeggen dat er al eens een vleugje pop mag inzitten die de boel deugd doet. Reken daarbij nog de dromerige zang van Irene Moretuzzo die alles een randje Mazzy Star geeft, en af en toe aan The Cranes doet denken, en Glazyhaze is er eentje om te onthouden. Maar laat die bassist alsjeblieft dat stomme witte Kurt Cobain-zonnebrilletje afzetten.

21.40u. A-Theater.     Lap, we zitten met een diva. Evita Polidoro draagt niet alleen een naam met sterallures, ook haar gigantisch uitlopende soundcheck heeft meer streken dan nodig. Met tien minuten vertraging – op een set van veertig minuten een eeuwigheid – beginnen de Italiaanse jazzdrummer en haar band er alsnog aan, met een veelbelovende, postrockachtige opener die het A-Theater omtovert in een donker jazzhol. Een broeierig, aan Dans Dans verwant “Black Mirror”, is zeker zo goed. De band lijkt zichzelf minutenlang in te houden, tot een plotse gitaaruitbarsting halverwege de boel in de fik steekt. Daarmee hebben we het beste helaas gehad: het omogelijk getitelde “comelecosechenonvogliofare” toont dat Polidoro beter drumt dan ze zingt, en het wazige gekabbel waarin ze zich nadien verliest, blijkt toch vooral het signaal om de Hollandse Ziekte opnieuw te verspreiden. Snel, weg hier, voor we het ook te pakken hebben!

22.10u. Grand Theatre.     Die wachtrijen buiten op de Grote Markt zijn natuurlijk de schuld van die heerlijke noveltyhit “Mum Does The Washing” van Joshua Idehen. Iedereen is benieuwd of die live ook stand zou houden. Spoiler alert: jep, en bij uitbreiding ook de hele show. Deze Nigeriaanse Zweed wil liefde. Liefde geven en liefde krijgen. Na drie jaar aanvragen indienen bij de organisatie mag hij in 2026 eindelijk aantreden en is hij vastbesloten er het maximum uit te puren. Gewoon een applausje bij opkomst is dus niet voldoende, hij heeft immers speciaal voor deze gelegenheid een nieuwe broek gekocht en wil toegejuichd worden als een superster, als was hij ‘een zwarte Dolly Parton uit het multiverse’. Het zet meteen de sfeer voor de licht surreëel-absurdistische trip waar we de volgende veertig minuten in zullen worden ondergedompeld.

Idehen is immers gul, gul met zijn liefde en met zijn woorden in een show die het midden houdt tussen performance en muziekoptreden en vooral érg goed doordacht is. Idehens klep staat geen twee seconden stil en wat eerst op een onzinnige bindtekst lijkt, blijkt onderdeel van het geheel te zijn wanneer het naadloos overgaat in de housemuziek die dj Ludvig Parment eronder plaveit. Die beats lijken nog het meest op wat Fred Again.. doet en hoeven niet echt bijzonder te zijn. Deze show staat of valt immers met de frontman, en die houdt moeiteloos stand.

Het is gospel voor de clubs (zie ook de afsluitende extatische cover van Talking Heads’ “Once In A Lifetime”) en Idehen is de prediker. De voorman kneedt ons als zachte was in zijn handen: we moeten een mexican wave doen, we moeten call and response spelletjes doen, we moeten elkaar graag zien, en handjes geven aan de persoon naast ons en zeggen ‘vrede zij met u’ – het feit dat iedereen meedoet en de man zelf het publiek induikt om knuffels uit te delen creëert een mooi en warm moment in dat propvolle Grand Theatre. Joshua Idehen is méér dan die ene novelty hit.

22.10u. Mutua Fides.     Aah, de geur van derdehands urine: dat moet wel de Mutua Fides zijn. Het gigantische studentenhol vlak op de Grote Markt herbergt een ranzig kruipkot van een zaal, die ondanks de overduidelijke gebreken steevast een van de leukste plekken van het festival is. Het helpt ook wel dat hier ook weer dit jaar de hardste en smerigste acts (en Maria Iskariot) van Eurosonic worden geprogrammeerd, zoals bijvoorbeeld het Zweedse noisepunkvijftal The Family Men.

Openingsnummer “Greek Batteries” verraadt meteen een grote liefde voor het geluid van goeie ouwe Nine Inch Nails en de loodzware riffs van Godflesh. Gitaren als kettingzagen, dus, bassen als drilboren, drums als een bataljon Panzertanks, geluidseffecten als een heftige koortsdroom en zanger Gustav Danielsbacka die zijn inktzwarte teksten als een wilde hond in de microfoon blaft: zo hoort dit soort sonische terreur gewoon àltijd te klinken. Ook wanneer er gas wordt teruggenomen zoals in het fantastische “God’s Teeth”, dat zich voortsleept als een dreigende doodsmars, blijven de dreiging en het gevaar voelbaar aanwezig. Het geeft ons hoop voor een genre dat sinds eind jaren negentig flink was weggedeemsterd. Laat Trent Reznor maar verder aan zijn soundtracks prutsen, deze jonge Göteborgers nemen de fakkel wel over.

22.50u. Vera.     Hier moeten we nog eens over nadenken. Ditter begint met fucking vette, loodzware electroclash, maar laat die vibe langzamerhand los voor iets meer ingehouden. Zullen we het dan maar danspunk noemen? Welja. Frontvrouw Rosa Rocca-Sera is het type dat meningen heeft, en met “Everything Is Politics” ook punk as fuck staat te oreren. Natuurlijk roept ze dus de vrouwen naar de front voor haar feestje. Jammer helaas dat “Way Too Cool For You” niet hun beste nummer is, waardoor we al lang niet meer weten waar we staan. Maar laat ons hier nog eens op sjieken dus. We raken er nog wel uit.

22.50u. Machinefabriek.     Een frustrerend fietstochtje later – Grand Theatre volzet, Werkmanslyceum volzet, Lutherse Kerk, je raadt het al, volzet – belanden we in de Machinefabriek bij Sofie Royer, die minstens even slechtgezind is als wij. “No reaction, that’s how I love it”, sneert ze, nadat de zaal halverwege het optreden nogal onverschillig reageert op haar melding dat ze wat pianonummers gaat spelen. “This song is called “Court Jester”, which is pretty much how I’m feeling tonight”, kondigt ze het eerste daarvan aan. Laat ons eerlijk zijn Sofie, je hebt het misschien een piepklein beetje aan jezelf te danken. Want wat moet een mens met die debiele epische gitaarsolo in pianoballad “Paris Is Burning”, waarvan je je afvraagt of ze het serieus bedoelt, of die afschuwelijk loeiende viool-gitaarcombo van “Baby Doll” – op plaat nochtans fijne synthpop? Om nog maar te zwijgen van haar geklaag over een backing track die niet meeloopt op datzelfde nummer, of het feit dat ze niet heeft kunnen soundchecken – en dan nog niet op tijd beginnen. Het zou kunnen dat het allemaal gewoon Oostenrijkse humor is, maar dan snapten wij de mop toch niet zo goed.

23.30u. Huize Maas Front.     Ooit zagen we Tara Wilts Misty Fields inpakken als frontvrouw van het aardige folkrockbandje Cloud Café. Iemand heeft haar sindsdien goéd kwaad gekregen, want tegenwoordig staat de Amsterdamse te brullen op de barricaden die L.A. Sagne optrekt. Punk dus, die ondanks de onnozele groepsnaam toch werkt. Ja, het is wat dertien in een dozijn, maar een liedje als “I Paint Walls” wordt met genoeg overtuiging gebracht om aan te komen. En wanneer manager Janneke Nijhuijs – hoi, Janneke! – mee het podium op mag om een potje te bassen op “I’m A Girl” wordt het alleen maar doller. Geen wonder dus dat we zelden meer vrouwen in de pit zagen als bij dit bandje. Mooi zo!

23.30u. Nieuwe Kerk.     Wie zijn Eurosonic-geschiedenis een beetje kent, weet dat er iets bijzonders gebeurt als er Ieren in een kerk spelen. In 2020 pakte Lankum hier immers iedereen in met hun duistere, droney folk, dit jaar is het aan Madra Salach om dat kunstje nog eens over te doen. Deze Dubliners hebben goed naar hun landgenoten geluisterd – dat merk je aan het minstens even zwaar blazende harmonium – maar hebben met Paul Banks (niet te verwarren met die van Interpol) een frontman mee die het grote verschil maakt. Van zodra hij in “Blue And Gold” zijn strot opentrekt, móet je wel luisteren. Hij gromt en klaagt, slaat en zalft, ijsbeert over het podium als was ie Grian Chatten, en trekt de hele tijd alle aandacht naar zich toe.

Er gebeurt nochtans genoeg rond en achter hem, met dat brommende harmonium, hier en daar wat gekke elektronica, en een mandoline die volstrekt niks te maken heeft met de waterachtige folk van Mumford & Sons. In een furieuze cover van “The Tunnel Tigers” – een klassieker van Ewan MacColl over alle Ieren die gesneuveld zijn bij de aanleg van de Londense Victoria Line – speelt dan weer een ijle tin whistle de hoofdrol, met “The Old Main Drag” krijgen ook The Pogues een gepast eerbetoon. Een waanzinnig “The Man Who Seeks Pleasure”, lieflijk en lelijk tegelijk, is het orgelpunt: de band blijft de melodie glorieus opbouwen, tot alles uiteindelijk helemaal stilvalt en Banks zijn tekst – “the man who seeks pleasure / is the man who seeks pain” – nog één keer als een rauwe oerkreet de kerk in slingert. Onvoorstelbaar mooi.

23.30u. Mutua Fides.     De soundcheck alleen al blies de Mutua Fides de prut uit de oren, en zowaar: de drie Duitsers van Kombynat Robotron knallen zichzelf los van het podium. Op plaat klinkt de psychedelische krautrock van dit trio nog enigszins beheersbaar, live zijn de honden duidelijk van de leiband. Waar hun vroeger werk nog braaf de lijn tussen kraut en psych bewandelde, heeft de band op zijn laatste album AANK volop de stonerrockgoden omarmd.

Deze kerels gaan godverdomme hàrd! Kombyat Robotron steunt daarbij op een rücksichtloze ritmesectie die als een opgefokte stoomlocomotief door de zaal dendert, terwijl gitaar en stem verzuipen in bàkken reverb en volume. Je wordt zonder pardon van moddervette riffs naar waanzinnige spaced out solo’s en weer terug geslingerd. Outfit van de dag gaat trouwens naar het.. euh.. netkousenpak met luipaardmotief van de bassist. Perfecte match met de latex croptop, tennissokken en skateschoenen. We zagen Jani Kazaltzis in een hoekje een herseninfarct krijgen.

23.40u. Minerva Praediniussingel.     Deze donderdag is een smörgåsbord voor de hiphopliefhebbers. Een zorgvuldig uitgekiend parcours voert ons op onze fiets langs alle uithoeken van het genre, en dat zonder overlap in de programmering – waarvoor dank, Eurosonic. Na de louterende speech van Dikke in de Simplon, de zelfingenomen r&b van Wesley Joseph en de vettige bangers Tracy de Sá is onze volgende halte de jazzhop van de uit Noord-Engeland ingeweken Berlijner Otis Mensah.

Deze woordenwaterval – zijn lettergrepen vloeien met een groter debiet uit zijn keel dan de pinten uit de kraan in de Mutua Fides – brengt wat hij zelf ‘raphymns’ noemt, op snit van de highbrow jazzclub, en ze worden met het nodige artistieke drama gebracht. Hij plaatst zich in een traditie van spirituele artiesten als Gil Scott-Heron en Beverly Glenn Copeland, en met een dikke zonnebril op de neus en een zalmroze sjaaltje over zijn afro gaat Mensah bij zijn delivery meermaals theatraal met de ogen gesloten door de knieën. Meerwaarde is een attitude en Mensah barst van het zelfvertrouwen wanneer hij een single aankondigt uit zijn nieuwe album dat – zijn woorden – ‘de manier waarop u over Europese hiphop denkt zal veranderen’. Wij denken toch vooral aan de klassieke albums van de Freestyle Fellowship, maar daar is niets mis mee. Veertig minuten van deze highbrow-rijmelarij is misschien een tikje des Guten zuviel, maar dit was zeker een verzorgde en prima show van alweer een nieuwe artiest op onze radar.

00.20u. A-Theater.     We verdenken de Spaanse en Portugese selectiecommissies er stiekem van aandelen te hebben in de plaatselijke fado- en flamencoscholen, want het Iberisch schiereiland heeft op Eurosonic de eerder bedenkelijke reputatie van nogal stereotiep aanwezig te zijn. Maar kijk eens aan: staat er in het A-theater met Sunflowers toch geen garagerockband zeker? Dit trio uit Porto (Portoërs? Portogezen?? Porto’s???) heeft zeer duidelijk alle platen van Oh Sees – en dat zijn er héél veel – in de kast staan, maar als het dit soort aanstekelijke herrie oplevert, bedekken we dat graag met de mantel der liefde.

Het begint nochtans met een valse start: de show trapt bijna tien minuten te laat af door soundcheckissues, en tijdens de eerste nummers krijgt de ridecymbaal van drumster Carolina Brandão herhaaldelijk een appelflauwte. Maar Sunflowers herpakt zich zonder verpinken met aanstekelijk chaotische onzin zoals in “Operation Vacation Finito”, “Corpse Light” en “I Got Friends”, waarin stevig swingende drum en bas dienen als kapstok voor de uitzinnige gitaarcapriolen van Carlos de Jesus die zijn instrument als zowat alles behalve een gitaar laat klinken. U liet het u als publiek zeer welgevallen, en organiseerde prompt een dansfeestje. En wie zijn wij nu om daar niét aan mee te doen?

00.50u Grand Theatre.     EV is een geezer en dat zullen we geweten hebben. Het gaat van geezer hier, geezer daar, fuck you, fuck me, bounce hier, taper fade daar, middelvinger in de lucht en roepen “are your ready to fight”. Het Engeland dat je op de BBC ziet, bestaat niet. Engeland is niet welbespraakt als Stephen Fry, het is gritty, het is gouden tanden in je gebit laten steken, het is werken in de fabriek en op vrijdagavond bingezuipen om zo snel mogelijk lam te zijn, en EV verzorgt op zijn nummers daar de soundtrack bij. De Brit zal tijdens deze show dan ook vier pinten ad fundum binnenkappen, en deelt er minstens evenveel uit. Iedereen moet zo snel mogelijk bezopen zijn.

Zo valt het immers minder op dat hier niet veel bijzonders gebeurt. De man heeft ontegensprekelijk goede songs – u mag ons elke dag wakker maken met van ninetiesnostalgie druipende bangers als “New England” of “Cuppa Tea” vol spitante raps over kitchen sink drama in het grijze working class Albion – maar als rapper op een podium heb je maar één taak en dat is: rappen. En EV doet véél in dit Grand Theatre, maar dat niet. Hij is meer hypeman dan frontman terwijl zijn dj de ene na de andere lap garage en bass music op ons afvuurt. We worden constant gedwongen om enthousiast te zijn, maar het is niet duidelijk waarvoor we die geestdrift moeten voelen, want hier is niet echt een optreden bezig. Het publiek weet ook niet goed wat ervan te maken en druppelt gaandeweg de zaal uit. Wie overblijft, gaat uiteraard uit zijn dak, maar is ondertussen sowieso even bezopen als de artiest en laat ons eerlijk zijn: kermisbeats werken nu eenmaal altijd om half twee ‘s nachts. Eurosonic is echter vooralsnog geen kermis.

00.50u. Mutua Fides.     We struikelen vanavond nog een laatste keer de Mutua Fides binnen om een klein half optreden van Vojdi mee te pikken. Meer was niet nodig: met wat we daar op een schamel kwartier te zien krijgen, kunnen sommige artiesten meerdere volledige setlists vullen. Menslieveheer, met wat een rotvaart jakkeren deze Slovaken een gesjeesde mix van stijlen door de verhakselaar. Dit viertal heeft overduidelijk stevige jazzwortels, maar ook geen zin om standards van Duke Ellington te spelen. Integendeel: alles wat maar tegendraads, anachronistisch, ongewoon of regelrecht geflipt klinkt is gefundenes fressen voor deze gasten.

We horen – onder meer! – de uitzinnige uitspattingen van Black Midi, de ongecontroleerde mafkezerij van Mr. Bungle en de gevaarlijke uithalen van The Dillinger Escape Plan allemaal tegelijkertijd en meermaals voorbij komen in een woeste wervelwind van gitaar, bas, drum en saxofoon. Most valuable players van deze bende zijn duidelijk de stoïcijnse zanger/gitarist Marek Buranovský die met uitgestreken gezicht zonder enige moeite de meest knotsgekke gitaarlijnen uit zijn vingers tovert, en drummer Samuel Bily die de ene na de andere onmogelijke drumritmes uit zijn kit ramt. Hij raakt daarbij zo buiten adem, dat hij net voor het einde een uitblaasmomentje inlast – “This next song is going to kill me. Not slowly but really fast.” En inderdaad: het laatste nummer “Godspeed” voelt aan alsof je met een straaljager in een achtbaan zit. Wij hadden achteraf ook een stevig uitblaasmomentje nodig …

00.50u. H.N. Werkman Stadslyceum.     Dat ze gepriviligeerd zijn, met hun jobjes bij de hippe Parijse club Supersonic: ze geven het zelf grif toe. Ze zien er elk dag de beste bandjes passeren, en van de slechtste leren ze hoe het vooral niet moet. Toch is Chest. in eerste instantie een uit de hand gelopen hobbyproject. Opgezet om eens samen te spelen, landden de vinnige postpunksongs van het vijftal al snel bij een publiek dat hen dwong om dit ernstig te nemen. “We zijn op sinds zes uur deze ochtend om helemaal naar hier te komen”, klinkt het. Welaan, dan.

Hier staan we dan, en zij gelukkig ook: voor en op het podium van een allureloze schoolrefter, maar dat vergeet je al snel wanneer het daverende “All Good Things End” losbarst: postpunk met een subtiel vleugje new wave. Het nijdige “Blood On Your Doorstep” is de stampende lap logge noiserock die ons zo laat nog eindelijk wakker kletst. Wat een frontman is die Britse Elliot Selwood: marcheert over het podium als een arrogante klootzak, maar doet dat wel op een aangename manier, met het soort brutale blaf die je meesleept in zijn verhalen. Neem nu “Otto”, dat raast over een strakke 4/4-beat, of “Aceta”, waarvan de finale kletst en dreunt. Je voelt dat deze band hier speelt om te winnen, en niet zal opgeven. “This is all I want from life: entertainment”, snauwt Selwood in, welja, “Entertainment”. Daar kan Pommelien Thijs een puntje aan zuigen.

01.30u. Vera.     Afpinten in de Vera, waar het vrolijk genaamde Aktiv Dödshjelp – dat betekent wat u denk dat het betekent – met bezieling aantoont dat ze in Noorwegen bij God geen idee meer hadden wie ze dit jaar moesten afvaardigen. Want waarom zou je het hobbyproject van een paar punkpapa’s in volle midlifecrisis sturen als je vinnige en jonge bands zou hebben? Neen, op meebruller “Evig Penger” na – wat dat wil zeggen moet u zelf maar opzoeken – is dit van een treurnis die echt niet thuishoort op een festival dat nieuwe muziek een podium wil geven. Is het tijd voor bed? Mmmm, misschien toch eerst nog even Gespuys meepikken in het off-circuit Drie Gezustersprogramma.

Krijg ons maar eens afgezet.

Beeld:
Ben Houdijk, Jessie Kamp, Niels Knelis, Casper Maas, Maas Shali, Daniek Snijder, Siese Veenstra - ESNS.nl

verwant

Eurosonic gooit eerste namen te grabbel

ESNS (Eurosonic Noorderslag) maakt de eerste namen bekend voor...

recent

Uketsu :: Vreemde Huizen – Vreemde tekeningen

De Japanse YouTuber Uketsu is een heus fenomeen; zijn...

Kevin Morby :: Die Young

Live fast, die young, gaat het motto voor rebelse...

Wu-Tang Clan

15 maart 2026ING Arena, Brussel

De Wu-Tang Clan is al lang niet meer nuthin’...

Diverse :: Help(2)

‘War! What is it good for?’ Het antwoord is...

50 jaar punk met Kotskat, Hetze, Sunpower en The Kids

14 maart 2026Ancienne Belgique, Brussel

Punk mag dit jaar exact vijftig kaarsjes uitblazen, net...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in