De Arc de Triomphe in Parijs is een bij elke toerist bekend gezicht, terwijl La Grande Arche, die zich in een rechte lijn bevindt tegenover dit monument, aan het eind van de as die leidt naar de Esplanade de la Défense, eigenlijk vooral bekend is als congrescentrum. Dit nieuwe gedeelte van Parijs was wel het opmerkelijke decor voor Jacques Tati’s meesterlijke Playtime waarin de menselijke factor afgezet werd tegenover de minimalistische architectuur van de locatie. Het is die aanvulling op de architectuur aan het eind van de jaren negentientachtig in de vorm van een dominant nieuw gebouw, die centraal staat in L’Inconnu de la Grande Arche, en dan met name het verhaal van de zo goed als onbekende Deense architect Johan Otto von Spreckelsen die de ‘Grote Ark’ ontwierp.
L’Inconnu de la Grande Arche begint wat angstvallig met het stellen dat hoewel de prent gebaseerd is op waargebeurde zaken, de rol van verschillende personages fictief is … dat geeft nog maar eens aan hoe moeilijk kijkers het lijken te hebben met het feit dat een film geen enkele verplichting heeft tegenover de realiteit en áltijd een constructie is. De vertelling spitst zich dan ook toe op allerlei kleine faits divers in het grotere geheel die de zaak kleur moeten verlenen en inderdaad wellicht niet veel met feiten te maken hebben. We zien Von Spreckelsen (Claes Bang) gesprekken voeren met toenmalig president Mitterand, maar evengoed overleggen met de kraanbestuurder die bij valavond een paneel moet takelen zodat de staatsleider de kleur van de nieuwe ark bij zonsondergang kan zien. Dat moet allemaal een ‘menselijke’ kant schenken aan de film, maar is het minst interessante aandeel. Veel boeiender is dat er wel degelijk aandacht is voor architectonische concepten, ideeën, vormen … het zou overdreven zijn te stellen dat de film probeert die dingen te vertalen naar het eigen medium, maar op zijn minst worden scènes gedeeltelijk opgehangen aan discussies over de architectuur waar het allemaal om draait en niet aan goedkoop drama en al te veel besognes van de personages. Dat de idealen van de bouwkunst in botsing komen met de logica van economie en politiek – en soms concurrerende ego’s – zorgt bovendien zeker voor een extra interessante invalshoek.
Regisseur Stéphane Demoustier begrijpt dat hij zijn film sober moet houden om het onderwerp tot zijn recht te laten komen, en buiten veel aandacht voor de herschepping van de betreffende periode, slaagt hij er ook heel goed in om dat te doen. L’Inconnu de la Grande Arche is daarmee bijzonder degelijk en bij momenten zelfs echt boeiend als traktaat over kunst als idee versus kunst als praktijk. De film bevat bovendien ook een van de mooiste montagesprongen van het jaar: van de doorsnede van een massief blok Carrara-marmer naar een mes dat een goed dooraderd stuk vers Italiaans spek doorsnijdt.



