Best Kept Secret 2023 :: Als kikkers in een kookpot

, Bekijk Berichten Bekijk Berichten

Dag Twee :: Een herbeginselverklaring

Het kan nog, goed slapen. Monter als een hoentje worden we wakker, en zelfs voor de douche staat geen rij. Wat is dit? Our lucky day? Of is het gewoon vroeg voor een festivaldag? Jawel. Zo vroeg:

“Goodmorning!” Kevin Morby weet dat wie hier op dit ontiegelijke uur al staat – op een festival is twaalf uur écht nog ochtend – een wekkertje heeft gezet of recht uit zijn tent naar de Two gerold is. Dat ‘ie normaal niet vaak bij daglicht speelt, ook, en het zou logischer geweest zijn om dat hier ook niet te doen. Morby laat het niet aan zijn hart komen: een gloeiend “This Is A Photograph” trapt de dag af, en is niet van plan dat zachtjes te doen. Dit is beter dan koffie, een nostalgische folkrockkopstoot, waarin hij weemoedig kijkt naar een foto van zijn nog jonge vader. Aan het eind van de set zal Morby het nummer nog eens spelen, in de versie die op More Photographs staat en die volgens hem klinkt zoals het eigenlijk bedoeld was. Daar valt over te discussiëren, maar het blijft een wereldnummer, in welke variant ook.

Acht jaar geleden stond Morby een eerste keer op Best Kept Secret, en sindsdien is de man nog geen beetje gegroeid. Hier staat een bandleider, een crooner die zijn microfoon soepel de lucht ingooit, een showman in een franjevestje, maar zonder dat het ooit onoprecht voelt. Dat ligt vooral aan de songs: als Morby in “Campfire” zingt dat “there’s a campfire inside my soul”, dan geloof je hem. De a capella zangpartij die violiste Macie Stewart er nog mag aanbreien, gaat door merg en been. Wat een heerlijke band heeft hij ook meegebracht, met niet alleen viool, maar ook een gezonnebrilde man die voor saxofoon, dwarsfluit en – jawel – maracas mag zorgen. Met z’n zessen schurken ze gezellig dicht tegen The Band aan, zeker in “Rock Bottom”, een geluid dat ouderwets vertrouwd klinkt, en net daardoor zo veel harten weet te veroveren. En dan moet “City Music” nog komen: Morby zet het nummer rustig in, met dat heerlijk pingelende gitaartje, maar het moment waarop hij en zijn band een versnelling hoger schakelen, voelt als een wervelende adrenalinerush. Absoluut vakmanschap, en een vroeg hoogtepunt op deze zaterdag.

Oude bekenden in het nieuw. Sinds het vertrek van gitarist Iscaac Wood wegens mentale problemen, is Black Country, New Road immers een nieuwe band geworden. Zonder hun de facto leider ging de groep meteen na de release van tweede album Ants From Up Here kop in kas door; vastbesloten nieuwe muziek te schrijven die ze zonder hem konden brengen. Het vertaalde zich in live-album Live At Bush Hall, het is wat we hier ook vandaag krijgen: iets anders. De tempowisselingen, de voortdurende interactie tussen de verschillende muzikanten is behouden, toch is het geluid met bassiste Tyler Hyde aan het roer behoorlijk veranderd.

Want ook al is ze in principe geen frontvrouw, vandaag lijkt ze die rol wel op te nemen, samen met toetseniste May Kershaw. Ze wisselen elkaar af op zang in songs die vaak meer naar pastorale folk dan postpunk neigen, met “The Boy” en een episch “Turbines/Pigs” – Kershaw leidt in beide gevallen – als ultieme kippenvelmomenten. Weg zijn de stoorzenders die deze band zo graag door zijn nummers stuurde, enkel de essentie blijft over, en dat is onvoorstelbaar mooi. Ook opener “Up Song” raakt meteen de juiste snaar. Het lijkt wel een (her)beginselverklaring, zoals de band daar ‘Look at what we did together, BC, NR friends forever’ staat te schreeuwen, en elk instrument in de strijd geworpen wordt. Black Country, New Road is helemaal niet meer wat het was, maar dat is in dit geval verrassend goed nieuws.

Gisteren geen salsa bij Hermanos Gutiérrez, vandaag al helemààl geen stepdance bij het nochtans Ierser dan Ierse Lankum. Met hun doemerige kijk op traditionals verjagen Radie Peat en haar mannen na “The Wild Rover” – in deze versie niet bepaald het drinklied dat door de gemiddelde Ierse pub zal schallen – dan ook vlotjes een kwart van de tent, maar wie blijft staan, mag zich opmaken voor een duistere trip. Al is het hier een eerder klein tripje: met maar drie kwartier speeltijd wordt de setlist van in de Botanique enkele weken geleden flink omgegooid, met de focus op het meer toegankelijke werk van de band. Peat tovert nog steeds een daverende drone uit haar harmonium en orgeltje, maar krijgt zelden de tijd om dat geluid volledig te laten ontsporen, en ook de grapjes van Daragh Lynch zetten je telkens weer met beide voeten op de grond.

Het is pas bij oudje “The Old Man From Over The Sea” dat alles helemaal op zijn plek valt: de hypnotiserende zang van Peat in de repetitieve strofes, de band die in de laatste minuten alles in de strijd gooit voor een zwartgallige jig die aanstekelijk en dreigend tegelijk klinkt, met een bloedmooie vioolmelodie in het slot. “Bear Creek”, dat Lankum steevast bewaart voor het einde, is het moment waarop de zon helemaal doorbreekt. De groep neemt een langzame aanloop, met het harmonium dat nog één keer mag dreunen, waarna de viool de leiding neemt voor een stampend, welja, vreugdevol slot. En zo kan er toch nog een stepdansje van af.

Het contrast met het geweld van Hammok kon niet groter zijn: met een plaat die Jumping/Dancing/Fighting heet, bestaat er weinig twijfel over de plannen van deze Noren. Op brute wijze, met een portie hardcore en noise rock onder de arm, komt het gezelschap de gemoedelijke sfeer van dit festival grondig verstoren. ‘Put a smile on your face’, schreeuwt frontman Tobias Osland in het woeste “Smile”, en ondanks alle boosheid is dat ook precies wat er gebeurt. Verstopt onder die rauwheid heeft Hammok immers ook gewoon aanstekelijke songs meegebracht, en “Contrapoint” vat in vier woorden samen waarom: ‘Dance the pain away’. De meute in de bloedhete Casbah vindt dat een prima plan: een man staat met zijn kruk tegen het plafond te bonken, er wordt aan honderd per uur gecrowdsurft, instrumenten donderen voortdurend tegen de grond, en het zweet lijkt van overal te komen. Vettig, maar stiekem wel lekker.

‘Queen is dead’, brullen ze in de openingstrack, maar in de Two laten Young Fathers horen dat ze als koningen van de Schotse underground springlevend zijn. Aangedreven door rechtopstaande drummer Steven Morrison geven de over het podium stuiterende Alloysious Massaquoi, Kayus Bankole en ‘G’ Hastings zich, bijgestaan door twee backing vocalistes, helemaal. In die opener hoorden we industrial, verder passeerden in scherpe scheuten songs flarden soul, R&B, gospel en jazz, maar ook rauwe drum-‘n-bass. Nog steeds klinkt deze band klinkt geen ander, maar wel: als alles tegelijk.

“Get Up” is de grote single, en wordt al snel voor de leeuwen geworpen – hebben we dat gehad, kan de groep voort zonder die verwachtingen. “In My View” is het absolute hoogtepunt, waarin het voortdurende ritme gezelschap krijgt van een mooie melodie. Want als er één kritiek mogelijk is op Young Fathers, dan wel dat het daar al eens aan ontbreekt; hoe hard en energetisch het ook doorraast, soms mist het zijn punt daardoor. Maar wie maalt daar om als daar al weer zo iets aanstekelijks volgt als “Geronimo”. Geen tijd voor neergang, zelfs: naar het einde toe vinden de muzikanten een extra vat energie, waardoor met “Shame” en “Toy” wordt gepiekt als eindpunt, alsof wij hierna zomaar verder kunnen met ons leven.

Goldband_©nadiadenys_6

In het voorbijgaan veel te veel flarden gezien van Goldband, alle plagen van Egypte verenigd in één groep. Ze staan dit jaar op elk festival die naam waardig of onwaardig; de beste garantie dat we deze ziekte ook snel uitgezweet hebben. Snel, iets anders!

Iets héél anders, zelfs. Stiller dan bij De Toegift zal het dit weekend niet meer worden, en wat is dat deugddoend na die debiliteiten op het hoofdpodium – ja, noem ons maar oude muziekzeuren, we dragen die titel met trots. ‘Ik hoor iets!’, declameert frontman Maxim Ventulé, en je denkt nog even dat hij het heeft over de nooit ophoudende beats die uit ieder hoekje komen gekropen, maar dit is toch echt wel de intro van die wondermooie, titelloze plaat van hen. In een voorgedragen versie weliswaar, perfect om de argeloze festivalbezoeker meteen de set in te trekken. Want dat de intieme jazzfolk-aanpak van hun concerten hier niet op zijn plaats zou zijn, kon iedereen voorspellen. De Toegift kiest vandaag voor een voller en steviger geluid, veel ingekleurder ook, door toevoeging van dwarsfluit en viool. En dat werkt: “Zo waren de dagen” klinkt extra poppy, terwijl de hoge, ijle backing vocals van de fluitiste “Ze zwaait” nog melancholischer maken dan het al was.

De Toegift zijn dan ook meesters van de nostalgie. Naar het Nollestrand bijvoorbeeld, de plek in Zeeland waar Ventulé opgroeide en die hier geëerd wordt met een stapvoets tinkelende ballade en een vuurtorentje op de piano. “Licht als stof” baadt in hetzelfde sepialicht, met Ventulé die zijn poëtische teksten verweeft met voorzichtige pianoklanken. ‘Dit is leuk hé’, stelt hij vast – een understatement van jewelste: dit was prachtig.

En ook vandaag staat er weer wat feministische furie op het programma. Leveranciers van dienst: Big Joanie, black, feminist and proud. Dat valt wat moeilijk bij het al aardig dronken BKS-publiek, dat ‘Speleuh!’ schreeuwt doorheen een intermezzo over ’the lefties they want to get rid of’ – boomers en belangrijke boodschappen, het gaat niet altijd goed samen, en dan moest het stuk over de workshop ‘how to find the clitoris’ nog komen. En de muziek, zegt u? Die is rudimentair, vroege punk- en garage-achtig, en vandaag komt lang niet alles even straf uit de hoek als hun missie doet vermoeden. Het is tekenend dat Big Joanies beste song nog altijd een cover is: “Cranes In The Sky” wordt aangekondigd als ‘a stadium rock one’, en dat is het ook. Hoe die drums daveren, hoe de gitaren opbouwen naar een verschroeiende climax: daar kan Solange zelf niet tegen op. Ook “In My Arms”, dat bijna girl groupy is, en “Fall Asleep”, met die lekkere ‘yeah-yeah-yeah’s’, zijn topnummers, maar al te vaak is het nét niet beklijvend genoeg. ‘Are you ready for the revolution?’ vraagt drummer-woordvoerder Chardine Taylor-Stone. Zeker wel, maar dan graag met een iets pittigere soundtrack.

Nota: ‘WAAR IS DAT ATOMIUM???’ Je zou denken dat Max Colombie na die geweldige MIA’s-openingsact minstens één bol mee zou hebben, maar Oscar & The Wolf houdt het deze tour eens bescheiden. Extravaganter dan een podiumbrede showtrap waarop de muzikanten plaatsnemen word het niet, maar het is genoeg: Max Colombie staat op het podium immers niet alleen te stralen – die depressie ligt duidelijk achter de rug – maar gutst ook van de star quality.

Het is ook op dit late uur nog altijd grof geschat vijf miljoen graden, maar mijnheer staat er doodleuk in dat bontjasje van afgelopen winter, zonnebril op de smoel – het was nog niet donker genoeg. Het zou er idioot moeten uitzien, het staat hem beeldig. Nu Stromae met ziekenverlof is, is de frontman klaar om de titel van ’s lands grootste popster, categorie genderbendend, over te nemen. Jammer dus dat de muziek dat niet altijd rechtvaardigt.

Geen kwaad woord over dat openend “Warrior”, nochtans; nog steeds is dat WK-nummer gelijke delen Haka en anthem. Ook niet slecht; het poppy “Donnie’s Dream” en het sexy “Dancing Machine”. Toch beginnen bepaalde trekjes langzamerhand te storen. Dat Colombie de dromerige sferen van debuut Entity heeft ingeruild voor popmuziek zorgt er voor dat alles verzuipt in een platte beatjessoep, en waarom het nodig is dat ongeveer om het andere nummer een gitaarsolo de boel kapotloeit, is ook een raadsel. En zo zakt wat veelbelovend begon al snel in. “Your Choice” is trage campingdisco, “Undress” niet sexy genoeg. En zo na elkaar vormen ze vooral een zompig moeras van verveling.

Het houdt Colombie niet tegen om te blijven glunderen. Hij danst nog steeds als een derwisj in “Nostalgic Bitch”, en kwansuis verwerkt hij een stuk van The Weeknds “Starboy” in de afsluitende remix van “Princes”. Een volgelopen wei juicht hem toe, en je kunt alleen maar blij zijn voor hem. Ook wij gunnen Max Colombie alles. Vooral nog een hoop betere songs.

Beeld:
Jan Van den Bulck, Nadia Denys

aanraders

verwant

Dorian Dumont :: To The APhEX

Wat als Aphex Twin een geschoolde pianist was geweest?...

Eindejaarslijstje 2023 van Jef De Ridder

Welke albums waren dit jaar de kroketten bij mijn...

Aphex Twin :: Blackbox Life Recorder 21f / in a room7 F760

De toekomst is nog steeds nu en morgen zal...

Herrie, humor en horror :: de grote terugkeer van Aphex Twin

Deze zomer trekt Richard D. James, alias Aphex Twin,...

Cactus Festival 2023 :: Wankel als een dronken paalwoning

Veertig kaarsjes, daar heb je een grote adem voor...

recent

Bridgerton – Seizoen 3 (Afl 1-4)

Wie wil, kan opnieuw zijn dagelijkse beslommeringen vergeten en...

Mdou Moctar :: Funeral For Justice

Mdou Moctar is boos. Er is niet alleen de titel...

Furiosa: A Mad Max Saga

In 1979 draaide George Miller – een spoedarts die...

Hit Man

De films van de Amerikaanse independent-regisseur Richard Linklater worden...

BLUES PEER 2024 :: Muddy Water

18 mei 2024Blues Peer

De Peerse zandgrond had de laatste tijd al heel...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in