Whispering Sons

21 augustus 2021 Het Veld, Wommelgem

Het goot buiten. We stonden droog. Het maisveld rondom en de vloer met houtsnippers gaf een festivalgevoel. Alles zat goed, zaterdag in Wommelgem, al had Whispering Sons behoorlijk wat tijd nodig om op dreef te komen.

“Als ik op het podium sta, verlies ik me vanzelf in de muziek. Maar als ik even begin na te denken over wat ik aan het doen ben, loopt het garanti mis”, vertelde Fenne Kuppens ons kort voor de zomer. Vandaag lijkt niet zo’n dag, maar echt helemaal in het moment lijkt ze ook niet. Een half optreden lang overheerst de afstandelijkheid. Wringt ze. Want zeker in dit vreemde tijdsgewricht, waarin we voor het eerst opnieuw buiten komen, elkaar aanraken, hebben we nood aan connectie. Whispering Sons geeft die niet.

Kan die misschien ook niet geven, want dat is niet waar nieuwe album Several Others om draait. Het moest allemaal niet meer zo groots en episch, gitaarriffs niet langer iconisch, en dus werd de tweede van Whispering Sons een donkere, solipsistische affaire, waarop Kuppens in een lange monologue intérieure haar demonen uitdrijft.

Die rondedans van zelftwijfel, perfectionisme en occasionele razernij werkt geweldig op plaat, maar live laat deze claustrofobische artpunk je moeilijk binnen. En ook de zangeres – het gaat ondertussen al veel beter met haar, dank u – vindt moeilijk de ingang in songs als “Dead End” of “Heat”. Het oude, nijdige “Got A Light” is een flardje theater geworden, met dat “How you feelin’?” niet langer gebeten. Het uitgebeende “(I Leave You) Wounded” valt gewoon dood.

Dat ligt aan de omgeving, de dag, de tijden die om iets anders vragen, niet aan de band, die ondanks tijdelijke personeelswissels uitmuntend staat te musiceren. Door een armblessure van drummer Sander Pelsmaekers is bassist Tuur Vandeborne doorgeschoven naar de vellen, Bert Vliegen (Teen Creeps) nam zijn taken dan weer over op de vier snaren. In “Flood” dreunt de groep als een elektronische pletwals, “Visions” duwt en trekt op bonkige wijze – zoals het moet.

Enkel in deze context kan het dat doorbraaksingle “Alone” als een popliedje klinkt, want Whispering Sons komt langzamerhand wél op stoom. Het herhaalde “So close now” van “Surface” bijt en hakt. Kuppens lijkt eindelijk haar draai opnieuw te vinden in haar rol, gitarist Kobe Lijnen kan zich eindelijk laten opmerken met een van zijn typische gitaarstootjes. En dan is er “Hollow”; nog altijd het beste nummer dat de groep ooit schreef, een noodkreet van een song, een emotioneel dieptepunt verheven tot kunst en catharsis. Eindelijk headbangen.

De eindspurt is dezelfde als op plaat. Eerst het kale staketsel “Aftermath”, waarover Kuppens sombert “There’s never been an inch in which I was myself”. Het is de openlijkste belijdenis van haar hele worsteling, bijna ongemakkelijk om te luisteren, maar het is nodig. De beloning is daarna des te bruter: een opgezweept “Satantango” en de aansluitende razernij van “Surgery”. En in de bissen? De traditionele afsluiter “Waste”, nog zo’n moment van rauwe doorleefdheid, van “Hier moet iets uit mijn lijf, en als ik daarvoor moet krijsen dan is dat maar zo”. Kuppens krijst. Eindelijk heeft ze haar mojo terug. Net op tijd voor een najaar vol concerten.

Ok, we zaten in een maisveld. Goed, dit was Wommelgem. Whispering Sons was nog wat roestig. Maar toch. We zijn een recensie begonnen zonder het nog over dat rare beestje te hebben. We stonden recht, met pinten in de hand. Er was headbangen. En buiten regende het. Het is tijd om de gevleugelde woorden uit The Hitchhiker’s Guide To The Galaxy boven te halen: “We have normality. I repeat: we have normality. Everything you still can’t cope with, is therefore your own problem.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 5 =