Max Weber :: Wetenschap als beroep | Politiek als beroep

Hoewel hij zichzelf nooit als dusdanig beschouwde, geldt Max Weber (1864-1920) samen met zijn tijdgenoten Emile Durkheim (1858-1917) en Georg Simmel (1856-1918) als een van de vaders van de (moderne) sociologie, de wetenschap die Auguste Comte (1798-1857) in het leven riep. Hoewel Webers ster al vroeg rees, zou hij zijn belangrijkste werken publiceren na de eeuwwisseling waaronder de twee befaamd geworden lezingen Wetenschap als beroep en Politiek als beroep.

Max Weber was de zoon van een rijke ambtenaar (Max Weber sr.) die er uitgesproken politieke en ethische opinies op nahield en in zijn salon geregeld toonaangevende denkers en academici ontving. Van jongs af aan gestimuleerd door het intellectuele milieu waarin hij opgroeide, zou Weber zichzelf verder scholen alvorens in Heidelberg en daarna Berlijn rechten, economie, filosofie en geschiedenis te studeren. Zijn huwelijk met Marianne Schnitger, een uitgesproken feministe en academica, gaf hem een financiële vrijheid die hem te pas kwam toen hij in 1898 zijn functie als docent opgaf na het overlijden van zijn vader (en de schuldgevoelens die Weber er over had). In 1903 werd hij officieel ontslagen en zou zijn ster nog verder rijzen, onder meer dankzij de publicatie van Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus (1905).

In dit standaardwerk van de sociologie legt hij de link tussen kapitalisme en protestantisme. Zijn aandacht ging echter niet alleen naar religie en economie, maar omvatte tal van andere thema’s waaronder ook de rol van de staat. In 1917 gaf hij de eerste van de twee gebundelde lezingen voor de Duitse studentenvereniging Freistudentische Bund, een eerder links georiënteerde groep studenten die zich afkeerden van de meer traditionalistische en rechtse studentenverenigingen. De tweede lezing, Politik als Beruf, hield hij in 1919 ten overstaan van dezelfde groep, zij het dat deze ditmaal rumoeriger verliep doordat verschillende studenten het niet met hem eens waren.

Hoewel Weber zelf altijd links was georïenteerd zouden net de pacifistische en revolutionaire studenten aanstoot nemen aan wat hij zei. De reden hiervoor is niet zo vreemd want in de lezing geeft Weber kritiek op te ideologische standpunten die met het hart in plaats van het hoofd gemaakt worden. Zijn waarschuwing dat de revolutionaire sfeer die in Duitsland heerste in duisternis zou eindigen tenzij een echte politicus zou opstaan, werd in de jaren erna ten onrechte dan ook wel eens beschouwd alsof hij de weg mee zou hebben bereid voor Hitler. Webers conclusie kan echter niet los gezien worden van zijn hele betoog dat hij meticuleus opbouwt en waarin hij een aantal belangrijke standpunten naar voren brengt.

De staat mag dan wel, zo stelt Weber, altijd bestaan hebben bij gratie van het monopolie op geweld, en de dreiging deze te gebruiken, dat betekent niet dat politiek zelf niet veranderd is. Politiek is steeds meer een beroep geworden waarbij het voor een groep mensen de belangrijkste bron van inkomsten wordt, veeleer dan een functie die men erbij neemt om niet-materiële redenen. Hierbij gaat Weber ook in op de administratie en bureaucratie, waar hij een heel werk aan wijdde, alvorens in te gaan op de waarden die volgens hem een waar politicus en leider behoort te hebben. Zo wijst hij op het verschil tussen de twee grondhoudingen overtuigingsethiek en verantwoordelijkheidsethiek, waarbij die laatste voor hem de doorslag geeft. Het is ook die visie die tot zijn eindconclusie leidt die eenvoudig verkeerd begrepen kan worden.

Zijn eerste lezing, Wetenschap als beroep, gaf hij twee jaar (1917) eerder voor dezelfde groep studenten. De wereldoorlog liep op zijn laatste benen, met een onafwendbaar verlies voor Duitsland, maar door het thema riep deze alvast minder weerstand op dan zijn latere lezing. Toch zou Weber hier een gelijkaardige visie uiteenzetten. Wetenschap, zo betoogt hij immers, kan wel argumenten aanbrengen voor een visie of standpunt maar kan deze niet funderen op haar (ethische) waarde. Het is niet aan de wetenschap om te zeggen hoe iemand dient te leven, dat is voorbehouden aan onder meer religie. Evenzo kan een wetenschapper vanop de katheder ook geen politieke voorkeuren uitdragen, het is aan de studenten om op basis van de voorliggende analyses en reflecties eigen keuzes te maken. Weber pleit hierbij voor een rationalisering en keert zich af van een profetisch leiderschap, een titel verleent vaak ten onrechte een autoriteit.

In beide lezingen gaat Weber op eenzelfde manier te werk. Na een korte historische analyse van het thema en hoe dit anders wordt ingevuld, gaat hij dieper in op wat volgens hem de essentie behoort te zijn. Het belang van rationaliteit en de eigen keuze staat centraal waarbij hij waarschuwt voor te emotionele en ideologische standpunten. Weber speelt hierbij ook met de dubbele betekenis van het begrip ‘Beruf’ dat zowel beroep als roeping betekent. In de originele tekst ontstaat hierdoor een dualiteit die tussen de lijnen door de stellingen van Weber net nog meer onderstreept. Het is jammer dat in het Nederlands deze verborgen laag grotendeels verloren gaat, al doet het geen afbreuk aan Webers teksten.

Want hoewel beide lezingen ruim honderd jaar geleden gegeven werden binnen een heel andere maatschappelijke realiteit, is het opvallend hoezeer de waarschuwingen en bedenkingen van Weber ook nu nog van tel zijn. Maar al te vaak verworden (onder meer) wetenschap en politiek tot een strijdtoneel van ideologieën en opinies veeleer dan van debatten gebaseerd op feiten of wat Weber verantwoordelijkheidsethiek noemde. En ook al is dat een realiteit die nooit te ontkennen viel, het lijkt wel alsof er het laatste decennium een nog sterkere polarisering ontstaan is. Die maatschappelijke realiteit zorgt er, helaas, voor dat Wetenschap als beroep | Politiek als beroep hierdoor nog niets aan waarde heeft verloren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien − 13 =