Georges Darien :: De dief

In 1903 liet de Franse auteur Georges Darien in een schrijven aan uitgever P.V. Stock eenvoudig weten dat als die laatste zijn roman L’Epaulette niet zou uitgeven, Darien hem zou vermoorden. De roman in kwestie verscheen pas twee jaar later, bij een andere uitgeverij. De brief, die Stock zelf publiceerde in zijn Mémorandum d’un éditeur (1935), schetst meteen ook het karakter van Georges Darien (1861-1921). Darien, het pseudoniem waarachter Georges-Hippolyte Adrien zich verschool, was een duivel-doet-al met uitgesproken meningen en een al even temperamentvol karakter.

Na zijn afstuderen sluit Darien zich aan bij het leger (1881-1886) en wordt hij gestationeerd in Tunesië. Hij zal er ruim een jaar lang in een strafkamp zitten wegens insubordinatie en er later niet minder dan twee boeken aan wijden: Biribi, discipline militaire (1890) en L’Epaulette. Het leger is echter niet het enige instituut dat op Dariens toorn mag rekenen, want doorheen zijn (schrijvers)carrière zal hij nog andere groepen door de mangel halen waaronder – uiteraard – de uitgeverssector. Met het pamflet Les Pharisiens (1890) zet hij in het bijzonder de antisemitische uitgever Edouard Drumont, tevens auteur van La France juive, in zijn hemd.

De belangrijkste vijand van Darien blijft echter de bourgeoisie in zijn geheel, die onder meer in zijn debuut Bas les coeurs! (1889), dat gesitueerd is tijdens de Frans-Pruisische oorlog, en het pamflet La Belle France de rekening gepresenteerd krijgt. Hoewel hij heden ten dage vooral bekend is om zijn handvol romans, was Darien in de eerste plaats een bevlogen polemist die een kleine honderd artikels schreef en zelfs twee tijdschriften opstartte. Uitgesproken in zijn meningen als hij was, pleitte hij later in zijn leven voor het geoïsme (een economische stroming die onder andere meent dat alle grond en natuurlijke hulpbronnen aan de mensheid als geheel toebehoren) en had hij banden met het socialisme en anarchisme, zonder zich echt tot een van beide te bekennen.

Ook wat literatuur betreft, stak hij zijn mening niet onder stoelen of banken en verweet hij onder meer Flaubert ‘l’art pour l’art’ te schrijven. Jules Vallès en Honoré de Balzac konden dan weer op zijn goedkeuren rekenen – Darien trachtte Balzacs negentigdelige romancyclus La comédie humaine zelfs te eren met een eigen Comédie inhumaine. Die reeks zou nooit afgewerkt raken, net als zijn artikel over de ‘anarchistische roman’, waarin hij pleitte voor een nieuwe vorm van romanschrijven. Het dichtste dat Darien vermoedelijk zelf bij die anarchistische roman kwam, was met Le voleur (De dief), dat in 1897 verscheen en net als zijn andere werken enig succes kende alvorens het samen met zijn auteur lange tijd in de vergetelheid verdween.

Dankzij Alfred Jarry, die het vermeldde in zijn befaamde roman Gestes et opinions du docteur Faustroll pataphysicien: Roman néo-scientifique suivi de Spéculations (1911), bleef De dief een sluimerend bestaan leiden tot het in 1955 herdrukt werd met een voorwoord van de ‘paus van de surrealisten’ André Breton. Het startte een bescheiden revival en herontdekking van zijn romans, die tot op heden doorloopt. Hoewel Le voleur niet het enige werk van Darien is dat met enige regelmaat wordt herdrukt, geldt het wel als zijn beste (en bekendste).

Een van de redenen hiervoor is dat de roman minder dan zijn andere werken een bepaald tijdsgebonden thema als onderwerp heeft en zich ruimer uitspreekt over de maatschappij en haar mores, die in haar essentie nog steeds gelden. Uiteraard is Darien een kind van zijn tijd, wat ook naar voor komt in de feuilletonstijl en de melodramatische elementen van de roman (ook bij Balzac waren die meer dan aanwezig), maar tezelfdertijd is het werk opvallend modern en zich maar al te bewust van de gehanteerde tijdsgebonden romanconventies (toevallige, maar handige ontmoetingen, weeskinderen die in harde omstandigheden opgroeien, …). Meer dan eens spotten de personages zelf met bepaalde plotwendingen en verhaallijnen.

Centraal staat de dief George Randal, die in het eerste hoofdstuk zijn memoires heeft achtergelaten in het Brusselse Hotel Roi Salomon, waar Georges Darien (die door de hoteluitbaters voor Randal wordt gehouden) ze vindt. Randal is opgegroeid in een gegoede Franse familie, maar wordt op jonge leeftijd wees, waarna zijn oom Urbain als voogd optreedt. Die laatste blijkt een deel van Georges erfenis verbrast te hebben en schaamt zich daar nauwelijks voor. Voor Randal is dit een confrontatie met de wereld, waaruit hij de les trekt de officiële moraal achter zich te laten en zich te ontpoppen tot dief. Zijn eerste slachtoffer is de familie Montarieul, waarvan de zoon Edouard, een oude schoolkameraad van Randal, verloofd is met Urbains dochter Charlotte.

Na de diefstal blaast Urbain het huwelijk af omdat hij zijn dochter enkel aan een rijke familie wenst uit te huwelijken. Op dat moment bekent Georges aan zijn oom niet alleen dat hij een verhouding heeft met Charlotte, maar ook dat zij zwanger is van hun kind. Urbain is niet opgetogen met dit nieuws (zijn neef is immers niet rijk) en weigert het huwelijk te zegenen, maar zal hen geen strobreed in de weg leggen. Charlotte, die als enige op de hoogte is van de diefstal, kan zich echter geen leven met een dief voorstellen. Randal weigert desalniettemin zijn nieuwe loopbaan op te geven en laat Charlotte achter wanneer hij naar Brussel trekt. Daar leert hij de Joodse Issacar kennen, die hem in contact brengt met de meesterdief Roger La-Honte. La-Honte wijdt Randal niet alleen in in de knepen van het vak, maar wordt ook zijn vriend en vertrouweling.

In weerwil van het spreekwoord dat er geen eer tussen dieven zou bestaan, schetst Darien doorheen zijn hele roman net het tegendeel. Het dievengilde bestaat uit eerzame mannen die elkaar en hun families helpen waar nodig en de buit steevast correct verdelen conform gemaakte afspraken. Hotel Roi Salomon, een vaste verblijfplaats en vrijplaats voor dieven, geldt als zowat de veiligste plek in België. De grote schurken en huichelaars zijn in Dariens ogen de burgerij en elite die niet alleen de bevolking uitzuigen en in de pas laten lopen, maar ook elkaars licht in de ogen niet gunnen. Bij zowat alle kraken en diefstallen die Darien en anderen plegen, is wel iemand van de hogere klasse betrokken als opdrachtgever of belanghebbende.

Darien laat zijn hoofdpersonages dan ook geregeld reflecteren over de wereld en hoe daarbij hypocrisie de boventoon voert, zonder dat het verhaal daarbij vaart mindert. De domheid van de macht zet hij nog verder in de verf door Darien, die zich uitgeeft voor ingenieur, meerdere artikelen over misdaad en straf te laten publiceren in een nieuw toonaangevend tijdschrift, opgericht door zijn oude klasgenoot Edouard. Hoe onzinniger hoe beter lijkt wel, en Dariens ster rijst zelfs in die mate dat de Franse regering hem niet alleen officiële opdrachten toevertrouwt, maar hem zelfs hoge functies aanbiedt. Voor dat laatste past Darien uiteraard – als dief heeft hij zijn principes en eer hoog te houden.

Het zijn in de eerste plaats die reflecties die De dief ook meer dan honderd jaar na zijn eerste verschijnen zo leesbaar houden. De picareske insteek van deze schelmenroman is uiteraard een tweede troef, net als de satirische invalshoek en – niet te vergeten – de oprechte woede en verontwaardiging die Dariens werk voortstuwt. De feuilletonachtige vorm mag daarentegen gedateerd heten, maar stoort nergens – te meer daar Darien er zelf de draak mee steekt. Ook stilistisch valt er aardig wat te rapen in de vorm van allerlei aforismen en universele stellingen. Dat veelvoud aan invalshoeken vormt de kracht van De dief, waardoor de roman niet louter vanuit literair of historisch oogpunt nog steeds een relevant werk is, maar ook omwille van zijn stijl en ideeën.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − negen =