Maggie O’Farrell :: Hamnet

In de literatuurwetenschap is er inmiddels schier eindeloos over gediscussieerd: heeft de dood van Shakespeares elf jaar oude zoon Hamnet iets te maken met de moeder aller tragedies die de schrijver ongeveer vier jaar later zou voltooien, met name Hamlet? Voor elk argument pro zijn er ongeveer evenveel contra, en omdat behalve het werk van de auteur nauwelijks persoonlijke ontboezemingen zijn bewaard, zal de ware toedracht van de relatie tussen ’s mans leven en werk vermoedelijk nooit helemaal worden opgehelderd. Deze leemte genereert echter ruimte voor verbeelding en verdichting. Maggie O’Farrell vult de historische lacune met literaire bravoure.

In ons taalgebied geniet O’Farrell relatief weinig bekendheid. Nochtans is de schrijfster van over het kanaal met Hamnet niet aan haar proefstuk toe. De voorbije twintig jaar sleepte ze al ettelijke bekroningen in de wacht, meest recent nog de Women’s Prize for Fiction, de nieuwe naam voor de wat omstreden Orange Prize for Fiction. Of vrouwelijke schrijfsters met afzonderlijke prijzen moeten worden gelauwerd binnen een literair landschap waarin dames niet langer structureel miskend worden, is een reflectie waard. Hoe het ook zij, de overwinning komt neer op een erkenning van de kwaliteiten die O’Farrell in haar jongste roman etaleert, gaande van de vloeiende verhalende teneur over de zinderende en poëtische stijl tot de ongewone emotionele intensiteit die de auteur via haar zinnelijke, detailrijke observatievermogen bereikt.

Net zoals O’Farrell geen waarheidsgetrouwe reconstructie van feiten probeert te bekomen, zo trekt ze zich niets aan van de continue nabijheid van William Shakespeare als personage. Doelbewust noemt ze hem niet bij naam, als het ware om uit zijn artistieke invloedsfeer te blijven, zijn schaduw zeg maar te ontwijken. Niets in haar proza refereert letterlijk naar de man om wie geen enkel Engelstalig schrijver heen kan, en tegelijk herinnert alles aan hem. De virtuositeit waarmee ze landschappen tot leven wekt, de indringende economie qua zinnen waarmee zich telkens opnieuw een waarachtige psychologische diepte openbaart, de toverachtige eenvoud waarmee de metafysiek van natuur en cultuur gestalte krijgen, de helderheid van vakkundig geschetste onderlinge verhoudingen, de pijnlijke directheid als het noodlot uiteindelijk onverbiddelijk toeslaat en de verbijstering die de taal naarmate het boek vordert lijkt te gaan overwoekeren: het is allemaal honderd procent O’Farrell en nooit schatplichtig aan Shakespeare, en toch vraagt de lezer zich af of dit zonder het inzichtelijk vermogen van haar illustere voorganger überhaupt mogelijk was geweest. Had literatuur zich op dit soort innerlijke rijkdom kunnen beroepen, als Shakespeare de wereld niet had getoond wat woorden en zinnen kunnen be- en omvatten?

Op het eerste zicht lijkt Hamnet klassiek uitgedacht. Via wisselende perspectieven en chronologische sprongen verknipt O’Farrell de plot zodanig dat het ritme van haar boek dwingend wordt. Tegelijk zorgen de transformerende invalshoeken voor een diepere psychologische gelaagdheid, want personages laten zich nu eenmaal pas goed kennen eenmaal ze hun verleden hebben bloot gegeven, of wanneer ze vanuit de blik van een ander zijn geportretteerd. Toch versnippert O’Farrell haar boek niet tot een collage van hoofdstukken. De handeling werkt immers onverbiddelijk toe naar een tragisch voorval dat al in de historische noot op de eerste bladzijden wordt aangekondigd, maar waarvan de schrijfster de lezer kan laten geloven dat het moet noch kan gebeuren. Des te groter is de impact wanneer het fatum toch voor de deur staat om allerhande levens overhoop te gooien. Nadien is immers niets meer hetzelfde.

Zonder pronkerige ingrepen markeert de catastrofe inderdaad een grens in het boek. Na de verschrikkelijke feiten gaat de samenhang als het ware teloor, de coherentie van hoofdstukken blijkt een illusie, alleen flarden blijven over, momentopnames, alsof het leven zelf door de gebeurtenissen gedesintegreerd is, de zin van het bestaan acuut geïmplodeerd. Dit zijn evenwel grote woorden voor iets dat O’Farrell zonder omwegen of omhalen op papier zet, zonder franjes, zuiver, naakt, pijnlijk. Want natuurlijk gaat het leven voort, wisselen de seizoenen, worden kinderen langzaam volwassen en blijven de bijen zoemen. Net dat is allicht de grootste aanfluiting voor het verdriet dat de protagonisten voelen: dat de stad en bij uitbreiding de wereld niet tot een stilstand komen, geen sporen dragen van rouw. De kosmos lijkt ogenblikkelijk vergeten wat de personages in al hun doen en laten blijven gedenken, en die ondraaglijke spanning geeft O’Farrell weer in haar hoogst gevoelige taal, overigens volledig vrij van sentimentaliteit.

Misschien zullen sommige lezers moeite hebben met het bovennatuurlijke, waar O’Farrell inderdaad iets te veel nadruk op legt. Anderen zullen mogelijks struikelen over de barokke stijl, of over de teergevoeligheid van het timbre. Voor het leeuwendeel van het publiek zal Hamnet echter een verbijsterend eerlijke, rauwe en toch fijnbesnaarde roman zijn. Een boek dat menig bekroning waard is, zoveel is zeker.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + dertien =