Colin Vallon :: Danse

Een continentaal-Europees pianotrio op het eeuwig bleke ECM-label, dat kan alleen maar die typisch etherische richting uitgaan. Toch? In dit geval eigenlijk wel, maar het zou zonde zijn om dit trio af te doen als niet meer dan een lyrisch aanmodderend gezelschap. Daarvoor vindt er te veel moois plaats, ook al is het dan op bescheiden volume.

En trouwens: de voorbije jaren heeft ECM zijn relevantie ook wel bewezen met een resem releases die ook wel iets anders in de aanbieding hebben dan de naar klassieke gunsten hengelende sfeermuziek waar het zo vaak mee vereenzelvigd wordt. Nochtans zit de zesendertigjarige Zwitser Colin Vallon, misschien meer bekend van het Elina Duni Quartet, wel degelijk in dat hoekje van de introspectie. Samen met vaste bassist Patrice Moret en drummer Julian Sartorius, de bezetting die drie jaar ook al tekende voor Le Vent, wordt een mooie staalkaart van hun collectieve kunnen gepresenteerd.

Opvallend is misschien dat het naar ECM-normen een relatief compacte plaat werd. Elf stukken (negen van Vallons hand), samen goed voor zo’n drie kwartier muziek. Dat helpt al voorkomen dat Danse te lang gaat aanslepen. Daarnaast kan je ook vaststellen dat het album ondanks z’n coherentie en bescheiden volume ook wel divers genoeg is om de aandacht vast te houden. Dat is in sterke mate te danken aan de gehanteerde werkwijze. Vallon is niet de grote impressionist die zich in een gemakkelijk zeteltje waant, gestuwd door een functionele ritmesectie.

Integendeel. Vanaf opener “Sisyphe” valt op dat het album een echte groepsinspanning is, waarbij alles wat maar iets zou kunnen hebben van epische ego-uitspattingen volledig overboord gegooid is. Danse is bovenal een gematigde plaat waarin niemand de drang voelt om uit te pakken met Grote Gebaren. En als dat al ruikt naar een gebrek aan reliëf, dan laten aandachtige beluisteringen horen dat het er eigenlijk helemaal niet zo saai aan toegaat. Het speelt zich allemaal af op de wip tussen romantisch klinkende, ietwat etherische pianojazz die tegen de neoklassiek aanleunt en (hier en daar zelfs) een vage popgevoeligheid, maar het zijn de details die het verschil maken. En vooral: het blijft in beweging.

Wat aanvankelijk iets heeft van een aaibaar kleinood verrijkt zichzelf regelmatig met subtiel-expressieve solo’s of een verkenning van het thematisch materiaal die nooit leidt tot goedkope climaxen. Eenvoudige ideeën worden afgewisseld met eigenaardigheidjes (zoals het voortdurend beweeglijke bijkleuren van Sartorius) en voortdurend opnieuw voor het licht gehouden, zodat steeds nieuwe nuances vrijkomen. Een handvol compacte stukjes van een minuut of twee varieert van prikkelend pointillisme naar filmische suggestiviteit met kletterend ratelspel op de achtergrond. Op die manier voert het trio daadwerkelijk een dans uit, met soms verrassende en altijd delicaat gezette passen.

Steekt er boven uit: het hymne-achtige “Kid”, waarvoor heel wat binnen de neoklassieke hoek actieve publieksfavorieten een ledemaat veil zouden hebben. Maar je zou het net zo goed kunnen hebben over het weerbarstiger “Tinguely”, waarin het klankpalet van de piano knap wordt uitgebreid door allerhande preparaties, zonder dat het een gimmick wordt. Danse is dus te bescheiden en gedoseerd om je van je stoel te kwakken, maar het is wél een plaat die binnen die vrij afgelijnde zone – tussen Europees getinte jazz, minimalisme en neoklassiek – rendeert met inventiviteit en net dat tikkeltje stilistische frivoliteit dat voor een meerwaarde zorgt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × drie =