Wim Mertens :: What are we, locks, to do?

De bekendste Belgische componist maakt ophef met een gedurfde combinatie van piano en zang. Toch zal Mertens’ conceptuele aanpak eerder ingewijden dan een groter publiek aanspreken.

Het Griekse literair oeuvre is ons vandaag merendeels bekend dankzij de ijver waarmee Romeinse geleerden de klassieke Helleense epiek en dramatiek naar het Latijn hebben vertaald. Het verhaal van de haren van koningin Berenice, oorspronkelijk neergeschreven door de Griekse dichter Callimachus, heeft de eeuwen overleefd dankzij Gaius Valerius Catullus, een Romeinse lyricus van de 1ste eeuw, die zich door de poëtische stijl van de eerstgenoemde Griek liet inspireren. Het werk van Callimachus blijft meer dan twee millennia later nog steeds beklijven. Wim Mertens zocht en vond inspiratie in het verhaal Berenice en haar haren, afgeknipt als teken van hoop voor een veilige terugkeer van haar man Ptolemaeus.

What are we, locks, to do? vormt het tweede deel van een triptiek die vorig jaar is gestart met het album Charaktersketch. Op het eerste gezicht hebben de twee albums weinig met elkaar te maken: het ene heeft als thema hedendaags Centraal Europa terwijl het andere ons naar een ver en antiek verleden brengt. Mertens zoekt echter duidelijke verbanden, door de albums onder de noemer Cran aux oeufs aan elkaar te koppelen. De nadrukkelijke verbinding houdt Mertens niet tegen om met het tweede deel voor een radicaal andere stijl te opteren.

Mertens staat in België vooral bekend als componist en pianist, maar met What are we, locks, to do? demonstreert hij eveneens over een verfijnde (contra)tenorstem te beschikken. De componist brengt daarmee zijn rol als uitvoerder nadrukkelijker op de voorgrond, als een voorbeeld van theoretical praxis (het samenbrengen van maken en uitvoeren). Voor de luisteraar is het even wennen aan Mertens’ heldere maar ongewone zangstem, maar eenmaal het openingsnummer “Loosening the ropes” enkele minuten ver is, voelt de combinatie van piano en zang als één en ondeelbaar.

De theoretical praxis van Mertens staat en valt grotendeels met het succes waarmee hij erin slaagt om de dialoog tussen piano en stem aan de gang te houden. De combinatie werkt voortreffend in melodieuze stukken zoals “In the knapsack” en het ietwat dramatische “And hit the bitter water”. Maar de uitdaging bestaat erin om die dynamiek gedurende het volledige album te behouden, en daar tekent de voornaamste zwakte van What are we, locks, to do? zich af. Hoewel Mertens op subtiele wijze van groots naar intiemer gaat (de sfeer van “Burned on non fruit-bearing wood” is directer dan de eerste composities van het album), verschijnen er weinig nieuwe plotwendingen aan de oppervlakte. De stilte overheerst iets langer en de sfeer voelt soms iets grimmiger aan, maar daarin is het moeilijk om een groter narratief te ontwarren.

Die narratieve verwarring toont zich het sterkst in de afwezigheid van een tekstuele leidraad. Mertens zingt voortdurend maar gebruikt enkel klanken om zijn verhaal te vertellen. Op die manier krijgt taal een andere rol van betekenis: het verhullen liever dan onthullen van gedachten. Voor de luisteraar vertaalt dit zich in een enorme inspanning om geconcentreerd het vocale en muzikale samenspel te blijven volgen.

Uiteindelijk is de kracht en originaliteit van What are we, locks, to do? overwegend in het conceptuele te zoeken. Enthousiastelingen van de klassieke oudheid zullen hun hart ophalen in Mertens’ intellectuele schatkamer. Anderen, die de componist vooral vanwege Struggle for Pleasure herinneren, zullen op hun honger blijven zitten. Maar allen zijn geboden om blijvende inspiratie te vinden in het werk van de klassieke Griekse letterkundigen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × twee =