U2 :: 14 oktober 2015, Sportpaleis

Zou een mens dat beu raken, in grote, winderige stadions spelen? Hunker je dan naar de beslotenheid van een gigantische indoor-arena die je dan “intiem” kunt noemen? Voor het eerst sinds 2001 koos U2 voor een tour in concertzalen, en dat deed de band duidelijk deugd. Het is meer dan een decennium geleden dat de Ieren nog eens zo vitaal klonken.

Laat ons echter wel wezen: als U2 op deze tour kiest voor indoor arenas heeft dat minder te maken met een – ongetwijfeld aanwezige – wens om op wat kleinere schaal te spelen, dan met de overweging dat twee uitverkochte Sportpaleizen altijd aangenamer zijn dan één met moeite gevuld Koning Boudewijnstadion. Het Ierse viertal is al lang niet meer de topgroep uit de jaren negentig, zoals ook de tegenvallende platenverkoop van No Line On The Horizon uit 2009 al aantoonde. Dat het recente Songs Of Innocence vorig jaar met een gigantische stunt gratis op alle iPods en iPhones werd gedownload, vindt daar ook zijn reden: Apple betaalde, omzet gegarandeerd.

Er is ook een reden voor die commerciële achteruitgang. Sinds U2 met All That You Can’t Leave Behind het experimenteren achter zich liet, en berustte in zijn eigen oude gewoontes, leverde dat nog weinig spannende muziek op. Platen als How To Dismantle An Atomic Bomb en dat No Line On The Horizon lieten een groep horen die vermoeid zijn eigen muzikale clichés herkauwt, en daar weinig geïnspireerds mee weet aan te vangen.

Dat moet de groep zelf ook beseft hebben, en op Songs Of Innocence trok de groep terug naar zijn roots om iets van het oude vuur terug te vinden. Het resultaat was een plaat vol songs over het Ierland van de jaren zeventig en Bono’s moederloze jeugd. En over de ontdekking van de rock-‘n-roll, natuurlijk.

Het is ook met de “ooh-ooh”‘s van dat “The Miracle (Of Joey Ramone)” dat Bono van achter in de arena de catwalk komt opgestapt. De sfeer is die van de vroege garagedagen: de rest van de band staat aan de andere kant van de zaal op een franjeloos podium onder een – groot uitgevallen, dit blijft U2 – peertje te rocken, en knalt er meteen een zinderend “Out Of Control” achter aan. Voor het eerst in tien jaar lijkt U2 echt zichzelf teruggevonden te hebben, alsof ze zichzelf in de stadionconcerten echt voorbij zijn gelopen.

Natuurlijk is dit geen back-to-basics optreden. Dit is U2, en dus duurt het nauwelijks vier nummers – met nog een opzwepend “Vertigo” en “I Will Follow” – vooraleer er toch schermen neerdalen aan weerskanten van de lange loopbrug door het publiek. Het staat Bono toe om zijn overleden moeder achterna te zitten in “Iris”, en ons mee te nemen naar het “Cedarwood Road” waar hij opgroeide. Het is ook een slimme truc; de vele technische foefjes houden het publiek geboeid genoeg, zodat het bijna niet opvalt dat de groep wel heel lang uit die middelmatige laatste blijft putten. Want zelfs al klinken ze hier overtuigender dan op plaat, er gaat hoorbaar een zucht van verlichting door het publiek wanneer een uitgekleed “Sunday Bloody Sunday” – met Larry Mullen Jr. op marsdrums op de catwalk – daar tussen wordt gesmokkeld.

Het is pas na een pauze, die wordt opgefleurd met een remix van “The Fly” terwijl slogans uit de Zootv-era worden geprojecteerd, dat U2 helemaal zijn sterkte vindt. Het blik hits gaat open, en dat mag publieksvriendelijk. Voor “Mysterious Ways” wordt op een kleiner podium midden in de zaal een puik dansend meisje uit het publiek getrokken, voor “Angel Of Harlem” mag een andere fan de extra gitaar omgorden; sinds een fietsongeluk vorig jaar kan Bono geen snaren meer beroeren, ziet u.

En dan stoft de groep – of toch The Edge op piano, Bono aan de microfoon — nog eens “October” af; een oude pianoballad die naadloos leidt naar de hamerende drums en gierende gitaar van “Bullet The Blue Sky”. Adam Clayton steekt er een baslijn onder die flatgebouwen kan torsen. Waarna de prediker in de frontman eindelijk van de ketting mag. Uit de outro komt een flard “Zooropa” gekropen, en terwijl een helgele drenkeling in het water uitzoomt tot een nieuwe wrange Europese Vlag is het niet toevallig dat “And I have no compass / And I have no map / And I have no reasons / No reasons to get back / And I have no religion / And I don’t know what’s what / And I don’t know the limit / The limit of what we’ve got” dat opklinkt. Het treft doel als niets van de nieuwe songs ooit al kon; een verre herinnering aan de bevlogen ziener die Bono begin jaren negentig was.

Toeters en bellen zijn niet meer nodig nu. De schermen mogen omhoog, waar de zanger ze mag gebruiken om reclame voor zijn ngo Red te maken, voor de eindspurt; “Where The Streets Have No Name”, “Pride (In The Name Of Love)” en “With Or Without You” kunnen het wel zonder al dat drama. Dit is nog altijd U2 op zijn sterkst: de heldere talking guitar van The Edge, een bezwerende Bono, en die strakke ritmesectie waar alweer de stille Clayton uitblinkt.

De bissen zijn er voor de euforie. Eerst “City Of Blinding Lights”, dan “Beautiful Day”. En ten afscheid zingt Bono nog één keer “I Still Haven’t Found What I’m Looking For”. Dat doet hij al 28 jaar, maar voor het eerst in tijden heb je het gevoel dat hij er opnieuw wat dichterbij is gekomen. Ze mogen dan niet meer de relevantie van weleer hebben, U2 is nog lang niet versleten. Maar een Sportpaleis volstaat duidelijk wel vanaf nu: die meer menselijke schaal is wel nodig.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − 6 =