CITADELIC: Conversations III, Heleen Van Haegenborgh, Serries/Webster :: 31 mei 2015, Citadelpark

Werd er aanvankelijk nog zonnig weer voorspeld voor de slotdag van Citadelic, dan moesten die voorspellingen helaas bijgesteld worden. Het vierdaagse festival was deze editie weinig goed weer gegund. Dat had ongetwijfeld een stevige impact op het aantal bezoekers dat afzakte naar het festivalterrein, maar weinig op de kwaliteit van de muziek, die op de slotavond meer dan de moeite was.

Het is een beetje jammer dat we slechts een selectie van het programma konden meepikken, want achteraf bekeken was het best wel een indrukwekkende combinatie van bands, projecten en bij elkaar gebracht artiesten, regelmatig met minder evidente muziek of wat logistiek gedoe. Zo werd er naar verluidt ook uitstekend geïmproviseerd bij filmmateriaal door de duo’s Bram De Looze en Lander Gyselinck en Fabian Fiorini en Xavier Rogé, die de beide landshelften vertegenwoordigden, maar kon je de essentie van de improvisatie – nieuwe contacten, nieuwe geluiden – ook een paar keer ondervinden in een reeks ‘Conversations’, ad hoc combinaties van muzikanten.

Het derde ontmoetingsmoment bracht het duo Keenroh naar het park. Of beter gezegd: het werd een combinatie van Keenroh en Jukwaa, want toetsenist Thijs Troch en fluitspeler/saxofonist Jan Daelman kregen het gezelschap van bassist Nils Vermeulen en drummer Bert Minnaert, die ook met Troch spelen in trio Jukwaa. Daarbovenop werd ook het laatste duo op de affiche – Dirk Serries en Colin Webster – uitgenodigd om mee te komen doen. En zo geschiedde.

Toen we arriveerden zaten de muzikanten al in een cirkel onder een van de feesttentjes die voor bescherming tegen de regen moest zorgen. Het was meteen ook een ongedwongen, informele ontmoeting, met het bescheiden publiek dat op zijn beurt rond de improvisatoren zat. Toch een heel andere situatie dan de muur die doorgaans opgetrokken wordt tussen muzikanten en publiek. De tijd werd verdeeld over drie duo’s – Troch/Daelman, Vermeulen/Minnaert en Serries/Webster – die samen speelden, met als slot nog een collectieve improvisatie van het complete sextet.

Je kreeg een knappe staalkaart te horen. Troch bespeelde een soort Moog, waarop hij heel andere dingen op liet horen dan op zijn piano. Wringende, brommende en pulserende bassen suggereerden een haast industriële klankgolf, terwijl Daelman reageerde met een verscheurde, elektrisch versterkte tenorsaxklank. Nogal afwijkend van de sound die ze vastlegden op het Keenroh-album, maar niettemin boeiend en uitdagend. Dat doet uitkijken naar de XL-band die ze meebrengen naar Gent Jazz binnenkort. Het bas/drums duo speelde volledig akoestisch en voelde iets minder abstract aan, vooral dan door het ritmische spel van Vermeulen, al speelde Minnaert met een haast nonchalante onvoorspelbaarheid. Speels en prikkelend.

Serries en saxofonist Webster, die de avond ervoor een trioconcert speelden met contrabassiste Martina Verhoeven, pakten ook uit met abstractie, tussen ontregeld gefriemel en minimalisme. Maar natuurlijk ook gefragmenteerd en iets anders dat wat later die avond nog zou volgen. Maar eerst nog pianiste Heleen Van Haegenborgh. Die tekende voor wat vermoedelijk de meest aparte release op het El Negocito-label moet zijn (Signaux), of gewoonweg een van de meest frappante experimenten die hier in recente tijden plaatsvonden. Ze componeerde namelijk muziek voor piano en een reeks misthoorns.

Een tijd geleden werd dat o.m. in de haven van Gent voorgesteld met echte misthoorns, die wat verderop opgesteld waren (die dingen halen waanzinnige decibelniveaus), maar deze keer gebeurde het met samples. Fijn was dat er intussen ook beeldmateriaal van Robbrecht Desmet aan te pas kwam, dat volledig op maat was van de maritieme insteek, met o.m. beelden van boten en de haven. Van Haegenborgh speelde doorgaans erg ingetogen en minimalistisch, waardoor het meer secuur klonk dat het vrije verkeer van ervoor, maar stond ook regelmatig recht om in de piano te duiken en daar draden uit te halen die voor opvallende resonanties zorgden. Het klonk raadselachtig en excentriek, en geen idee of het intussen een geval van pure gewenning is, maar het leek ook wel alsof de piano en misthoorns nog hechter en harmonischer gecombineerd werden dan ervoor.

Het concert dat Serries en saxofonist Webster op zaterdagavond in de Kortrijkse cinéPalace speelden met Martine Verhoeven, was redelijk taai en abstract. Niet dat het een extreme luisterervaring was of dat er werd uitgehaald met pijnlijk schurende resonanties, maar omdat het een onophoudelijk uitvergroten was van kleine geluiden, verschuivingen en ongewone technieken. Dan was het concert in Gent van een heel andere orde. Hechter en toegankelijker, op terrein dat iets meer houvast kon bieden. Serries maakte deze keer ook terug gebruik van loops, wat er sowieso al voor zorgde dat de muziek een coherent verhaal vertelde. En zowel door het gebruik van effecten als het aanwenden van strijkstok en eBow werd snel een massa gecreëerd die Webster aanspoorde om daar een antwoord op te bieden.

En dat lukte, maar op een heel andere manier dan Serries dat doet met een John Dikeman. Wordt met die laatste altijd een wringende, contrastrijke spanning opgezocht, dat gebeurt het met Webster erbij homogener, dichter bij dat drone-terrein. De Brit speelt ingetogener dan zijn Nederlands-Amerikaanse collega, schiet niet zo vaak in een ontzette blueskramp, doet het soms minutenlang op een fluisterniveau met bijzondere technieken, die soms eindeloos herhaald worden. Halverwege het concert vond er een ontmanteling van het opgebouwde verhaal plaats, leek de muziek helemaal uit elkaar te vallen, zoals dat een dag eerder het geval was, maar dan werd opnieuw een langeafstandsbeweging ingezet met een dromerig effect, ondanks de eerste gierende uitschieters van Webster. En net toen de muzikanten op hun meest lyrisch speelden, beslisten de weergoden dat de sluizen helemaal open mochten. Een surreëel effect.

Het weer zat niet mee en daardoor was de opkomst ook eerder beperkt, maar zoals te verwachten viel, werd daar een mouw aangepast, waardoor het festival op de slotdag ineens het aura van een uitgelopen huiskamerconcert kreeg. De muziek leed er niet onder (integendeel misschien, en dan misten we nog zoveel kleppers), maar je ging je toch afvragen wat het allemaal geweest zou zijn als het weer ook een beetje meegezeten had. Citadelic is een uniek festival dat hopelijk de best mogelijke omstandigheden krijgt in 2016. Het is hen gegund. Dit soort passioneel georganiseerde evenementen blijven een ware verademing.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × drie =