Primavera Sound 2015 :: Kersen op de verjaardagstaart

Vijftien jaar lang al is het Primavera Sound Festival de graadmeter van wat hip is in indierock en elektronica. Dat verdiende een taart, en de kaarsjes daarop werden uitgeblazen door een kleine honderd bands. Een hoogtepunt werd headliner The Strokes niet, maar met hopen sterke concerten vooraf achter de kiezen deerde dat niet eens.

Donderdag 28 mei

In volle ernst begint (mba) de eerste festivaldag in het Auditori Rockdelux, een enorm auditorium waar je rustig kan neerzitten voor een Panda Bear dat hier relatief vroeg (ja, dat is 17.30 u. hier, kort na siëstatijd) geprogrammeerd staat. Noah Lennox schiet de volle zaal meteen wakker met samples van gekrijs en getier, en met een volume op twaalf wordt dat enkel meer bevreemdend. Snel volgt “Latin Boys”, een van de sterkere nummers van het nieuwe Panda Bear Meets The Grim Reaper, maar daarmee is het vet wel van de soep. ‘s Mans psychedelica wordt te vaak verdrongen door een warrig samengaan van beats, synths en ruis, en veel blijft dan ook niet hangen van deze set, behalve de heftige ruisgolven die de overgang vormen tussen ongeveer elk nummer. Neen, dan zien we deze panda liever in actie in zijn natuurlijke habitat, tussen zijn vriendjes van Animal Collective.

Buiten schijnt de zon, en op het Pitchforkpodium wrijft het Australische Twerps zich de slaap uit de ogen: “Bij ons is het nu ongeveer ochtend, dus deze is voor de sleepyheads.” Het is gemoedelijk baden in het warme avondlicht met de zee in de rug, maar deze band lijkt het niet helemaal te hebben. We horen charmante Real Estate-gitaren, soms zelfs de jengel van de vroege R.E.M., maar helaas niet de songs die het afwerken. Het kan frontman Martin Frawley niet deren, die is al lang blij met de opkomst. “We verwachten nooit meer dan tien man voor het podium, want we zijn een shit little band. Maar ik ga er precies van uit dat we vandaag oké zijn.” Oké is nooit genoeg, Frawleyman. Het moet beter dan dit.

Komt volledig onaangekondigd onze wereld binnengezeild: Yasmine Hamdan. Met Soap Kills had de Oosterse schone al indierock geïntroduceerd in thuisland Libanon, nu wil ze bruggen slaan tussen dat genre en meer traditionele muziek uit de levant. Een optreden lang zorgt dat voor een intrigerend en bezwerend resultaat dat laat verstaan dat die missie geslaagd is. Houden we in de gaten, deze dame.

Op de Ray Ban Stage, een kleine boogscheut verder, beseft Howe Gelb dat hij zijn Giant Sand in dit soort setting maar best het vuur aan de schenen legt. Met vier gitaren — waaronder Raimundo Amado, met wie hij enkele jaren terug de plaat Alegrias maakte — wordt een potige set neergezet die stofwolken opjaagt en in “Texting Feist” de discobluesrock van ZZ Top in gedachten brengt.

Pittig, maar het is niets in vergelijking met de stomende chili die volgt. Ram, boem, klets: The Replacements doen alsof er geen seconde voorbij is gegaan sinds die onzalige dag in 1991 dat de band na jaren van dronken concerten uit elkaar viel. Met “Taking A Ride” vliegen de ondertussen al vijftigers roekeloos de bocht in, blijven hangen met “I’m In Trouble”, en wat volgt is een feest van kortaangebonden gitaren, boenke-tekke-boenkende punkdrums, en een verdomd fijn gevoel voor melodie. Het is opwinding en energie waar bindteksten niet bij nodig zijn; moeiteloos scheurt de groep van de ene knaller naar de andere, en gaandeweg mag het ook iets subtieler. Poprefreinen zijn al eens hoorbaar, en ergens tussendoor wordt ook The Jackson 5’s “I Want You Back” onder handen genomen, net als “Maybellene” van Chuck Berry en “Love Will Tear Us Apart” van Joy Division. Hitje “Alex Chilton” is uiteindelijk de kers op een taart die zo al succulent smaakte.

Gevloekt dat wij hebben toen bleek dat Antony And The Johnsons tegenover Spiritualized geprogrammeerd stond. Keuzes maken is zo ons ding niet, en even overwoog (mvs) dus om halverwege die eerste weg te spurten om toch ook een stuk van Jason Spaceman en de zijnen mee te pikken. Niet gelukt, met dank aan een Antony Hegarty die inpakte en ontroerde.

Want waren wij de laatste jaren wat afgeknapt op de live al te uitbundig taterende nicht in dat grote lijf, dan maakt hij dat met dit concert in één klap goed. Met het Orquesta Sinfónica de Barcelona y Nacional de Cataluña in de rug, krijgen we een set waarin beeld en muziek één overrompelende ervaring vormen. Minutenlang zorgt een danser eerst voor een bevreemdende inleiding, tot Hegarty eindelijk opkomt en “I Am The Enemy” inzet, dan voel je hoe een vreemde rust over het publiek neerdaalt en de festivalkermis even tot stilstand lijkt te komen.

Met verbazend gemak domineert Antony deze voor zijn intimistische muziek toch zo vijandige omgeving. Zelfs met aanvankelijk een weinig evidente songkeuze krijgt hij de betonnen vlakte muisstil, om uiteindelijk met publieksfavoriet “Cripple And The Starfish” een eerste enthousiast herkenningsapplaus te oogsten. Het is een veilige zet om danstrack “Blind” van Hercules & Love Affair, waarop Hegarty meezong, door het orkest te laten vertimmeren, maar het misstaat hier niet; een klein lichtpuntje in een set die zich verder niet geneert om bij momenten hermetisch te zijn.

Wat moet je immers aan met de bizarre, op maat van de muziek verknipte Japanse filmbeelden die op de achtergrond worden geprojecteerd? Het past natuurlijk in het altijd al met Kabuki-iconografie flirtende visuele universum van Antony, maar de betekenis, voor zover die er zou moeten zijn, ontgaat ons. Maakt ook niet uit, wanneer “Hope There’s Someone” een ronduit verbluffend concert afsluit betreuren we maar één ding: dat we niet weten hoe het afloopt. Fascinerend kijkvoer dat we ooit in zijn oorspronkelijke vorm te zien willen krijgen.

Hoe banaal en brutaal het oeverloze gehobbel van The Black Keys, die White Stripes van de Aldi, daarna aanvoelt, valt met geen woorden te beschrijven. Oeverloze, aan Led Zeppelin schatplichtige gitaarsolo’s, belegen blueslicks,.. het passeert allemaal de revue en het laat ons hier, nu, kouder dan ooit. Pintjes, vrienden? Pintjes. (mvs) logt uit voor vandaag, en geeft het stokje nog even door aan (mba).

James Blake speelde hier twee jaar geleden op het ATP podium en mag vanavond aantreden op de Heineken stage, zeg maar het hoofdpodium. Hoopten we vooraf op een set vol nieuwe nummers uit ‘s mans dra te verschijnen derde album, komen we bedrogen uit. Het titelnummer “Radio Silence” niet te na gesproken, geeft James ons vanavond nog geen inkijk in die toekomst, en blijft het bij de setlist die we al jaren van buiten kennen. Onder meer “CMYK”, “I Never Leant To Share”, “To The Last” en “Overgrown” worden puik gebracht, maar we hebben het intussen een keer te veel gehoord. En hoe mooi hij “A Case Of You” (Joni Mitchell) en “Limit To Your Love” (Feist) ook brengt, wat covers betreft valt evenmin iets nieuws te rapen. Een intiem “The Wilhelm Scream” sluit dit erg mooie, maar helaas weinig verrassende optreden en meteen ook de dag af. Dansen? Vandaag even niet, schat. Morgen misschien!


Vrijdag 29 mei

Dag Twee is een stralende meidag in Spanje. (mvs) loopt zijn eerste verbrande kop (die wijkende haarlijn toch) van de zomer op, maar Primavera zoekt het in de duisternis met The KVB. The Kevin Van Bauwel? Karel Van Brustegem? Neen, wel een project van de Brit Nick Woods waarvoor hij het in het zwartste putje van de jaren tachtig gaat zoeken. We horen het naargeestigste van The Cure passeren, flarden Joy Division en een immer doorjakkerende krautrockbeat; het is voor geen meter vernieuwend, maar het ratelt met zo’n verpletterende kracht de ATP Stage af dat zelfs de blakerende koperen ploert er geen verhaal tegen heeft. Imponerende set die besluit met een waar shoegazefest. Staat vanaf nu in onze platenkast, deze band.

Zonniger nu, met Ex Hex, dat charmant staat te rammelen in het hoekje waar de Pitchfork Stage, onder dat betonnen zonnescherm dat de retrofuturistische omgeving van het Parc Del Forum omineus domineert, zit weggestoken. Met “Don’t Wanna Lose” trappen de drie dames prettig rockend af, en dat blijft wel even zo; de zang wordt afgewisseld, er wordt al eens gescissor-kicked, het is aanstekelijk en plezant. “How You Got That Girl” is nog powerpop van een goed jaar, maar dan zakt de set gaandeweg in en wat overblijft is vooral meer-van-het-zelfde-maar-dan-minder. Met de hakken over de sloot dus, dit Ex Hex. Volgende keer graag een tíkje meer.

Zijn de krasse knarren gekomen om Primavera over te nemen? Je zou het bijna denken, want een halve kilometer verder (yup, op Primavera wandelt een mens wat af) is daar alweer Bomma Punk en neemt Patti Smith stormenderhand de Heineken Stage in met een stevige vloek in de kerk. Ze speelt deze tour haar veertigjarige debuut Horses integraal, ziet u, en dat wil zeggen: aftrappen met “Gloria”, een van haar grootste hits, en die baldadige openingszin “Jesus died for somebody’s sins / But not mine”.

Wat volgt is een bevlogen concert waarin de achtenzestigjarige nog maar eens toont dat ze niets van haar wilde haren is verloren. Mick Jagger is een trutje in vergelijking; nog voor “Gloria” is afgelopen is al één fluim op het podium beland, en meteen voel je opnieuw wat voor binnenkomer dit in 1975 moet zijn geweest; een onafhankelijksheidsverklaring zoals ze er in de VS geen meer hadden gehoord sinds 1776. Ook “Free Money” zal even later razen met een furie die haar leeftijd ver achter laat. Zoals gewoonlijk mag ook gitarist en oude strijdmakker Lenny Kaye even de zang overnemen halverwege.

Maar Patti Smith doet meer dan kwaad zijn. Er is het reggaegetinte “Redondo Beach”, de parlando bezwering van “Birdland”, het voor Jim Morrisson geschreven “Break It Up”. En natuurlijk ontploft alles in de versplinterde suite “Land”, dat in zijn drie delen van spoken word naar opgejaagde rock-‘n-roll gaat, om in een woeste tirade te eindigen. “Fuck the corporations. Fuck de regering. You are free! Free! Free!” raast Smith en de band rond haar speelt alles kapot.

Niet “My Generation”, de cover die als extra kwam bij Horses volgt tot besluit, wel een ziedend “Rock N Roll Nigger” dat de woede nog een laatste keer héét serveert. Ook alweer 37 jaar oud, maar net als die debuutplaat uniek. Ook in haar vijfde decennium blijft Patti Smith een artieste die geen gelijke kent.

Tijd voor iets zachters dan, want Belle & Sebastian stellen hier vandaag hun nieuwe Girls In Peacetime Want To Dance voor. Zelfs al pakt die plaat uit met een lichte koerswijziging door meer dansgericht en barok te zijn, op Primavera blijft het Schotse sextet dichter bij de bekende lieve indiepop. Het zorgt voor een set met pieken als opener “Nobdoy’s Empire” waarin frontman Stuart Murdoch zijn gevecht met CVS documenteert en het elegant gefingerpickte “Piazza, New York Catcher”, maar net zo goed diepe dalen als het abominabele, door gitarist Stevie Jackson gezongen blanke funkding “Perfect Couples”. En dan kan er toch wat gedanst worden op het nog steeds enige elektronische nummer uit hun catalogus “Electronic Renaissance”. Zwaar geshaked op een Belle & Sebastianoptreden; dat we dat nog kunnen schrijven. Maar dat het dus ook iéts meer had mogen zijn; een setlist die voor vernieuwing durft gaan in plaats van nog maar eens “I’m A Cuckoo” of “Funny Little Frog” boven te halen, bijvoorbeeld.

Run The Jewels, de alliantie tussen hiphopzwaargewichten Killer Mike en El-P, betreedt her ATP-podium een uur later op de tonen van “We Are The Champions” en dat is niet eens zo’n overdreven gedachte. Na alle lof voor RTJ2 heeft het duo sowieso nu al gewonnen spel, en het publiek eet uit hun handen. Van bij opener “Run The Jewels” tot aan het afsluitende “A Christmas Fucking Miracle” spat de energie van het podium. Tijdens “Close Your Eyes” wordt het publiek helemaal gek. Dat Killer Mike met een gebroken schouder in de gips zit, deert hem niet. De beats komen hard en de rappers dagen elkaar uit als twee wilde, hongerige honden: een wereld van verschil met de vrij makke vertoning van Wu Tang Clan op ditzelfde podium, twee zomers geleden. “We are the best rap group in the motherfucking world”, klopt Killer Mike zich op het einde op de borst. Na zo’n prestatie is het moeilijk om hem ongelijk te geven.

Terwijl de toekomst van de hiphop zich zo aan de wereld openbaart, zien we ook Ride aan de andere kant van het terrein. Het toont nog maar eens hoe Primavera Sound zich dan wel richt op de nieuwste geluiden, maar het ook altijd één oog stevig op de lange undergroundgeschiedenis houdt. Het leidde in het verleden al vaker tot straffe reünies op het festival. Hadden we vorig jaar zo al Slowdive, dan is het nu aan de shoegazestesgenoten rond Andy Bell om het stof van hun oeuvre te blazen.

Want ja, voor hij Oasis in 1999 vervoegde, had Andy Bell al een heel leven achter zich. Met Ride bracht hij tussen 1990 en 1996 vier puike albums uit waarop de shoegaze van het begin langzaam verschoof richting popmuziek. En zo openbaart dit optreden zich ook als een muzikaal geschiedenislesje. In “Taste” hoor je hoe de brug wordt geslagen tussen Stone Roses die voor hen kwamen en de Britpop die zou volgen. En lulden groepen tijdens de Madchesterjaren dat er altijd al een danselement in hun muziek had gezeten, in “Seagull” hoor je wel degelijk hoe Chemical Brothers er ooit op kwamen om “Tomorrow Never Knows” van The Fab Four tot het even psychedelische maar pompende “Let Forever Be” om te bouwen. Met hulp van Noel Gallagher, wel te verstaan; noblesse en Beatlesfandom oblige.

Het klinkt geweldig, de band speelt strak en de set wisselt mooi tussen gitaarwolknummers als “Leave Them All Behind” en “Polar Bear” en meer meezingbaar materiaal als “Like A Daydream” en “Black Nite Crash”. Je vraagt je dan ook af waarom het zo lang moest duren om dit verhaal opnieuw te starten. Op basis van deze set hoeft het alvast niet snel te eindigen.

Waarna we vanop afstand het visueel lichtspektakel genaamd Alt-J goedkeurend aanschouwen, en enkele vrouwen die wel iets in de bijhorende muziek horen na afloop een pint in handen duwen. Zo zijn we dan weer wel: vergevingsgezind, en ook wel uitkijkend naar meer lekkers morgen.


Zaterdag 30 mei

Niet dat die goed begint. Te lang aan de strandbar gehangen, meneer, en dus alvast Strand Of Oaks gemist. Zitten we toch aan de grote hoofdpodia, beseffen we plots dat we naar The Ghost Of A Sabertooth Tiger, het waarlijk vreselijke project van Sean Lennon en liefje Charlotte Kemp zitten te kijken. “Niet wéér”, kreunt (mvs) die dat vorige zomer al eens op zijn bord kreeg.

Een vluchtpoging verder, in het stemmige Ray Ban-openluchttheater waar we deze editie nog niet vaak stonden, staan we eindelijk oog in oog met Tori Amos. Bonuspunt daarbij: Tante Tori heeft net haar eerste twee platen, klassiekers in hun genre, opnieuw uitgebracht en schuwt de hits voor één keer dus niet. “Crucify” passeert al snel, “Silent All These Years” volgt niet veel verder. Het beeld blijft als vanouds: wijdbeens tussen een grand piano en keyboards krijgen we haar barokke spel, de stem is helder en nog geen jaar verouderd of het zouden de iets minder hoge uithalen moeten zijn.

Net zo goed weten we echter waarom we Amos al een dik decennium uit het oog verloren zijn, meer bepaald sinds ze in een conceptueel gat verdween. Het trio “Cruel”/”Sweet Sangria”/”Unrepentant Geraldines” dat tot medley wordt verwerkt is weinig indrukwekkend, net zo min als “Toast” of “Code Red”. Dan liever de Depeche Modecover “In Your Room” of hoe ze in “You Spin Me Round (Like A Record)” nog even “Raspberry Swirl” binnensmokkelt. Wanneer “Cornflake Girl” afrondt, is de liefde echter volledig vernieuwd. Al had die Dame Edna-bril nu écht niet gemoeten.

Ondertussen om de hoek, maar muzikaal een half universum verder gaat het van “The smell of piss is so strong / it smells like decent bacon”. Dat moeten wel Sleaford Mods zijn, die (mba) eerder op de avond op hun manier op dag drie verwelkomden met een intieme, korte set in de Ray Ban container. Ondertussen wordt het echte werk voorgeschoteld op de Adidas stage.

Het Britse duo is een ware attractie: terwijl vocalist Jason Williamson in zijn microfoon roept, fulmineert (“Bunch Of Cunts”!) en spuugt, doet zijn slungelige maat Andrew Robert Lindsay Fearn — korte broek, t-shirt van The Simpsons, goedkoop biertje in de hand — niet meer dan op de playtoets van zijn laptop drukken. Met enkel bas en drum worden de nummers tot de essentie herleidt. “Fizzy” wordt opgedragen aan de FIFA en het nieuwe “Bronx In Six” gaat richting hiphop. Afsluiter “Jobseeker” verandert het publiek in een pogoënde massa en dan keren de twee plots terug op het podium. “WHERE YOU FUCKING GOING?” schreeuwt Williamson, en het wegdruppelende volk keert gedwee terug. Nog drie songs volgen, met “Tweet Tweet Tweet” als ultiem orgelpunt. Niet te missen als ze ons land nog eens aandoen.

Zijn we vertrokken voor lawaai? Dan kunnen Einstürzende Neubauten natuurlijk niet ontbreken. Om zijn vijfendertigste verjaardag te vieren is het Berlijnse gezelschap op tocht met een greatest hits-set, maar het blijft bizar om de groep op een festival te zien, twintig jaar nadat Blixa Bargeld verklaarde dat zo’n evenementen nou echt iets voor Hitler zouden zijn mocht ie nog rondlopen. Het blijkt ook niet evident om een publiek stil te krijgen met een openingsnummer waarin krakend cadeaupapier de muziek uitmaakt, maar het is natuurlijk bedoeld. In de AB was dat “Ein Leichtes Leises Säuseln” nog een bisnummer; hier is het meteen van “kop toe en mee zijn”; contrair als ever.

Evidente hits kiest de groep zonder echte hits natuurlijk ook niet. Wel volgt een mooie doorsnede van wat de muzikanten zelf de moeite vinden aan hun werk uit de voorbije decennia. Dat dat niet het schrootmeppende materiaal uit de begindagen is, valt met een hoop personeel dat er pas half jaren negentig bijkwam niet te verbazen. Het meeste metaal zal uiteindelijk aan het einde van “Unvollständigkeit” (2007) door percussionist N.U. Unruh uit een bak naar beneden worden gekapt.

“You Me & Meyou” moet het van gehamer op PVC-buizen hebben, “Dead Friends (Around The Corner)” houdt het rustig, maar eindigt wél met die typische ijselijke Blixakrijs. En dan is er natuurlijk het hamerende “Die Befindlichtkeit Des Landes” en een prachtig afscheidsakkoord “Susej”. Conclusie: Einstürzende Neubaten hebben al bij al betere herinneringen aan de laatste twintig jaar dan aan die eerste vijftien. Het mag, maar als onze mening er een béétje toe doet, dan is iets meer plaatslagerij ook altijd welkom binnen vijf jaar op een volgend verjaardagsfeest.

En over verjaardagen gesproken: het is tijd voor het slotakkoord. Weet u wat? Soms is een bakker al eens verstrooid, en legt ie een slechte kers bovenop de taart. The Strokes zijn vandaag rot fruit. En dat heeft veel te maken met de in een afzichtelijke fluogele t-shirt/mouwloos jeansjasje gestoken Julian Casablancas — we hebben het even niet over het nog walgelijkere roos-en-blauw nektapijt daarboven — die opgeblazen en ongeïnteresseerd een karikatuur van zichzelf neerzet. Doet ie dit nog wel graag?

Puike setlist, dat wel. Iets voor een coverband of zo: veel Is This It, zelfs een “Modern Age” voor het eerst in vier jaar, en hoogstens het allernoodzakelijkste van de latere platen. En zo voelt het ook: als een band die speelt dat ze een band kan naspelen die ooit relevant was.

Met de ogen dicht klinken The Strokes nog wel oké, maar op het podium is duidelijk dat hier geen sprake is van een groep, hoogstens van een handvol los aan elkaar hangende muzikanten die even voor het geld de oceaan zijn overgevlogen, maar niet van plan zijn daar hard voor te werken. “Take it or leave it”, gaat het ergens. Wat ons betreft: laat maar. Primavera heeft veel geld betaald voor zo’n parodie, en da’s zonde.

Fuck it, wij gaan dansen. Eerst op Underworld dat molenwiekend doorbraakplaat Dubnobasswithmyheadmanuitvoert, en iemand die er meer van kent dan ons bromt “En dan is Darren Emmerson niet eens mee, terwijl die er het belangrijkst voor was.” Tja, die stapte dan ook vijftien jaar geleden, toen Primavera nog niet eens bestond, uit de band. Maakt het uit? Wij hebben gedanst. Kennen wij iets van dans? Heeft u ons al eens zien bewegen? Weet u wat een retorische vraag is?

Beter nog: de eindflard Caribou die we op de Ray Ban Stage meenemen. Een etherisch “Can’t Do Without You”, bijvoorbeeld, maar net zo goed een opzwepend en funky “Odessa”. Wanneer afsluiter “Sun” zijn laatste bocht indraait gaat Dan Snaith gemoedelijk aan de zijkant van het podium kijken wat zijn muzikanten uitvreten; een heerlijk daverend slot brouwen dat de perfecte opmaat is naar de afsluitende set van Primavera’s huis-DJ Coco.

Vanaf dan worden onze herinneringen wazig. We hebben vuurwerk gezien. Confettikanonnen van de Wibra. Dansende medewerkers op het podium. De opkomende zon. Iets van Iron Maiden, en dan een in een roes meegebruld “Born To Run”, waarna het écht wel afgelopen was, of zoiets moet die Spaanse security guard toch gemompeld hebben toen hij ons uit het laatste open promostandje verjoeg. Wat wij weten is dat we vier uur later een nog slapend appartement uitslopen, in de hoop dat ons vliegtuig deze keer wél op tijd vertrok, met dan toch “Hard To Explain” van The Strokes in ons duffe hoofd. Kunnen we niet uitleggen na dat optreden, maar wat we wel weten: Primavera 2015 was een puike editie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − vier =