BRAND!: Han Bennink Trio, Hauschka, Nordmann :: 19 februari 2015, Nona / CC Mechelen

De Belgische jazzliefhebber weet dezer dagen niet waar eerst te kijken. Terwijl de Brusselse jazzscene zich nadrukkelijk in de kijker zet, de Gentse bloeit als nooit tevoren (kijk maar eens wat er gebeurt bij El Negocito & co.) en Oostende bezig is aan een marathonfeest, doet ook Mechelen z’n duit in het zakje. BRAND! staat voor vijf avonden jazz en avontuur uit binnen- en buitenland en één centrale gast: rietblazer Joachim Badenhorst, die er elke avond aantreedt.

Han Bennink. Wie een beetje bezig is met creatieve jazz en vrije improvisatie, die kent die naam maar al te goed. En zal ‘m waarschijnlijk met respect uitspreken, want de man is na een halve eeuw gekte en experimenteren uitgegroeid tot een icoon van onschatbare waarde. Dat maakt het dan ook moeilijk om te geloven dat het Han Bennink Trio met jonge(re) honden Simon Toldam en Joachim Badenhorst een van zijn eerste eigen bands is. Op albums Parken (2009) en Bennink & co. (2012) kon je al binnenstappen in die typische Benninkwereld met z’n uitbundige swing, muzikale indianenverhalen, vrijheid en baldadige humor. Bekend voor wie vertrouwd is met de wereld van ICP, maar toch weer met een eigen nadruk. Met de dominante zot in een hoofdrol, maar ook als gangmaker. Hij laat Badenhorst dingen spelen die deze elders nooit op die manier zou laten horen. Idem voor Toldam.

Met zo’n flamboyante leider valt er steeds wel iets te beleven. Het smoelen-, benen en voetenwerk vallen meteen op, maar dat geldt net zozeer voor zijn ronduit fabuleuze techniek met de brushes en het vermogen om uit niet meer dan een snare drum en wat gereedschap een eindeloze rijkdom te putten. En dan nog eens dat volume. Aanvankelijk genoeg om een uitstekende Badenhorst (op klarinet, basklarinet en tenorsax) volledig weg te dringen, maar gaandeweg beter in evenwicht in een aaneenrijging van ballades, improvisaties en ouderwetse, soms vette bluesy swing in een nieuw jasje. Hij vertelde een mop, sloeg door z’n drumvel en verving het rustig alsof het de normaalste zaak was. Improvisatie als sociale interactie, niet als afstandelijke opvoering. En toen hij dat gefikst had, stond hij meteen weer klaar met die waanzinnige strakke roffels en interactie, die van dit concert meteen een lillend en divers hoogtepunt maakten.

Op naar de massieve kerkzaal van het nabijgelegen Cultuurcentrum, waar de Duitse pianist Hauschka (Volker Bertelmann) nog eens z’n kunstjes op een prepared piano kwam tonen. De man heeft daar enige tijd geleden z’n handelsmerk van gemaakt en hangt nog steeds rond in een wereld van neoklassiek, minimalisme en improvisatie, met weldadige harmonieën en een excentrieke klankenwereld. Hoe die er komt, besef je eigenlijk pas aan het einde van het concert, wanneer de man steevast z’n piano ontmantelt en er een ware gereedschapskist aan prullaria uit de pianobuik geplukt wordt, gaande van stokken en tamboerijnen tot balletjes, potjes en stukken tape. Het resultaat van al die zorgvuldige aangebrachte ingrepen: een mechanische braderie van klanken die voortdurend wijzigt en met gebruik van elektronica nog verder aangedikt wordt.

Dat leidt steevast tot een verbluffende aanzet, waarbij je gefascineerd toekijkt hoe de man de meest uiteenlopende stijlen en klanken uit de piano haalt. Heeft dat het ene moment iets van een Oosters ritueel met zithers en roterende speeltjes, dat klinkt het even erna alsof een volledig plat gedempte Satie in de clash gaat met Bulgaarse volksmuziek, of lijkt het alsof er zo’n mechanisch aapje met een trommeltje door de piano marcheert. Fascinerend, maar de massieve opener, die al goed was voor drie kwartier, verloor redelijk snel z’n spanningsboog en ging snel gebukt onder al te veel herhalingen en melige melodielijnen. Het tweede stuk was ritmisch meer stuwend, maar onderging hetzelfde lot, waardoor je voortijdig afhaakte. Hauschka is een sympathieke artiest met een mooi verhaal, maar zeventig minuten was van het goede te veel.

Terug naar de Nona dan, waar afsluiter Nordmann z’n langspeeldebuut Alarm! kwam voorstellen. Die plaat ligt mooi in het verlengde van de titelloze EP die in de zomer van 2014 verscheen en laat een band op de wip tussen potige rock en broeierige jazz horen, waarbij de nadruk live een kleine beetje dichter naar dat tweede lijkt te kruipen. De band haalt soms uit met behoorlijk krachtige explosies, haakse wendingen en uit hun voegen barstende momenten, maar het is vooral ook een band die behendig een sfeer op poten zet, vaak met een sinister, filmisch en doemachtig randje, waar de in de galm gedrenkte tenorsax van Mattias De Craene ongetwijfeld voor iets tussen zit. Maar dat geldt net zo goed voor de scherpe gitaarpartijen van Edmund Lauret, de kloeke bas van Dries Geusens of het verrassend gespierde, soms zelfs dominante, spel van Elias Devoldere.

Nordmann incorporeert een waaier aan stijlen — je hoort Scandinavische weidsheid naast kronkelende jazz- en progrock, surf twang en dansbare, exotische ritmes (“Ohm”) –, maar is vooral ook een band die soms niet meer dan een simpel idee nodig heeft om de aandacht te trekken. Zo’n “El Niño”, helemaal opgebouwd rond een eindeloos aangehouden saxmotief, behoort ongetwijfeld tot hun meest memorabele songs, net als de loodzware aanzet van “Alarm!” met die sirene-uithalen of het tegendraadse gehamer van “Jumanga”. Het is een jonge band, maar wel eentje die intussen een zekere routine heeft opgebouwd. Je ziet zelfvertrouwen en bagage, maar weinig pose. Muziek die er soms aardig in hakt, maar ook dansbaar is, zeker als Geusens lijkt te gaan twijfelen tussen Bootsy- of Jacoland.

Een paar keer kon de band niet voorkomen dat de spanning wat verdampte, zoals het geval was in “Paling” en “Lights”, die iets te veel in een sfeertje bleven hangen. Maar dat werd gecompenseerd met een prijsbeest als “Pfut”. Voor Nordmann, een band die evolueert aan een straf tempo, is het plafond vermoedelijk nog niet bereikt, al is ook duidelijk waarom ze nu al scoren bij een breder publiek. Win-win voor de rock én de jazz. Genregrenzen zijn een bijkomstigheid en de band heeft een sound, souplesse en gedrevenheid die doen uitkijken naar meer.

Nordmann passeert de komende maanden langs een indrukwekkende reeks clubs. Joachim Badenhorst organiseert op 25 februari een KLEIN-label night in Het Bos (Antwerpen), met o.m. Os Meus Shorts, Pascal Niggenkemper, Gerard Herman en Sam Kulik. Allen daarheen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × drie =