Hundred Waters :: The Moon Rang Like A Bell

Je kan Skrillex veel verwijten, maar niet dat hij geen oog voor talent heeft. Hundred Waters mocht zo zijn aanvankelijk in beperkte oplage gedrukte debuut heruitbrengen op zijn label OWLSLA, en twee jaar later mag de band ondanks eerder bescheiden succes alweer een tweede plaat uitbrengen.

Of de grote doorbraak er met The Moon Rang Like A Bell wél zal komen, is voer voor helderzienden, al lijkt de blogosfeer met deze plaat alvast meer mee te zijn. Het zou alleszins bijzonder terecht zijn, want deze tweedeling bevestigt ruimschoots het talent van dit Amerikaanse viertal om muziek te maken met een uitgesproken eigen smoelwerk. Ook hier weet Hundred Waters immers een eigenzinnig, meteen herkenbaar geluid af te leveren, bovendien zonder als een herhalingsoefening van het debuut te klinken. De basiselementen zijn nog steeds dezelfde: het huwelijk van de uit de duizend herkenbare stem van Nicole Miglis met de eigenzinnige eclectische elektronica-aanpak van de rest van de groep, maar als geheel is ook duidelijk dat de band in de breedte zijn klank heeft uitgewerkt. Minder folk, meer elektronica, maar zeker even intrigerend.

Bij een eerste beluistering van The Moon Rang Like A Bell valt meteen op dat hier een nog diverser klankwerkstuk is afgeleverd dan bij het debuut. Zo schippert de band als vanzelfsprekend tussen de indie-uitbundigheid van “Seven White Horses”, de haast sacrale sfeerzetting van de a capella intro “Show Me Love” en de prachtige verstilling van “Chambers (Passing Train)”. Die laatste song is wellicht het absolute prijsbeest van deze plaat, met een doorleefde vocale prestatie van Miglis boven minimale elektronica, aan het einde door een zwaar onder effecten bedolven gitaar versterkt met een van de mooiste melodielijnen die we dit jaar al hoorden. Ook in de andere rustigere tracks weet Hundred Waters het meest indruk te maken. Afsluiter “No Sound” schurkt zo aan bij de meer contemplatieve nummers die Björk op pakweg “Médulla” liet horen en weet zo de plaat op een prachtige ingetogen noot te besluiten.

Door die diversiteit is het nog moeilijker geworden om Hundred Waters op een genre vast te pinnen. Er zit iets in van de kortstondige witch house hype van enkele jaren geleden, aangevuld met een fikse scheut post-dubstep (de ratelende ritmes in single “Cavity” bijvoorbeeld), de weird folksferen van het debuut zijn ook nog hier en daar herkenbaar, maar ook indie pop uitwerkingen krijgen ruimschoots plaats in het muzikaal kader van Hundred Waters. “[Animal]” is wat dat laatste betreft wellicht de meest op de dansvloer gerichte track die het kwartet al maakte en plaatst zich in de schijnwerper als een bastaardkind van eighties pop, wijds knallende house en de onderkoelde emotie van de witch house.

Dat stilistisch alle kanten tegelijkertijd op schieten is helaas ook een beetje de achilleshiel van de band, die zich hier en daar wat dunnetjes lijkt te spreiden met enkele minder geïnspireerde momenten. “Murmurs” is bijvoorbeeld lang geen slechte track, maar haalt toch niet het niveau van de beste nummers op de plaat. Ook de opbouw van “Seven White Horses” is ietwat minder boeiend dan de feestelijk knallende finale zelf. The Moon Rang Like A Bell bevat geen slechte nummers, maar verloopt wel duidelijk in pieken en relatieve dalen. Het debuut was op dat vlak wat consequenter van kwaliteit, maar kende minder absolute hoogtepunten.

Uiteindelijk is Hundred Waters nog steeds een erg jonge band, die met deze tweede plaat weliswaar een erg goede plaat aflevert, maar tegelijkertijd ook nog meer dan genoeg groeiruimte laat om nog beter te worden. Als Hundred Waters hun volledig potentieel kan waarmaken zullen ze ongetwijfeld nog hogere toppen scheren, maar The Moon Rang Like A Bell is dan sowieso reeds een erg boeiend stadium in het wordingsproces van de band.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + zeven =