Wie zich serieus wil bezighouden met het schrijven van muziekrecensies moet de stortvloed van nieuwe releases constant in de gaten houden. Desondanks durft er wegens het low profile karakter van een groep al eens een plaat door de mazen van het net glippen — door onderpromotie of omdat de recensent simpelweg even niet oplette. En zo ontdek je dan plots (dank u wel, Bandcamp) dat het Franse drietal MeTaL-O-PHoNe reeds in september vorig jaar een nieuwe plaat op de wereld losliet.

Aangename verrassing wel, want van de twee sets die we dit zwaar beukende jazzrocktrio enkele jaren geleden zagen spelen op het minuscule Gaume Jazz festival waren we volledig overdonderd. Helaas kwam de zelfgetitelde plaat die de groep op dat moment uit had slechts gedeeltelijk in de buurt van de wervelwindkracht die het drietal live teweeg kon brengen. Desalniettemin was ook op dat album al duidelijk dat de onorthodoxe bezetting van drums, contrabas en vibrafoon en de volstrekt eigen muzikale taal zo ergens tussen het repetitieve van Steve Reich, de nauwelijks beteugelde chaos van de vroege Mahavishnu Orchestra en de zwaar gierende noise-uitspattingen vol effecten van bands als ZU een winnende combinatie van jewelste was. Goed nieuws dan ook wat betreft de tweede plaat Kosmos, want het potentieel dat de groep op hun debuut toonde, is hier tot volle, gefocuste wasdom gekomen.
De overbodige spielerei met belletjes en gongetjes die op het eerste album de vaart wat uit de plaat haalden, behoort hier immers grotendeels tot het verleden (de speelse intro “Awalou” en het chaotische tussendoortje “Fritz” uitgezonderd). “Tupac Amaru” begint bijvoorbeeld wel met enkele minuten sfeerwerking, maar transformeert zich na drie minuten al tot een gespierd, groovend freakfestijn. Je kan het bestempelen als badass, een woord dat je trouwens zowat elke vijf minuten tijdens de beluistering van Kosmos kan uitstoten (al dan niet afwisselend met “Fuck yeah!”). Nog een concreet voorbeeld? Die bassolo met strijkstok en rijkelijk vloeiende distortion bovenop de dreunende vibrafoonakkoorden van “East Part Of The Island” is mogelijk de meest geschifte die we al hoorden.
De bas is ook elders een van de absolute sterkhouders van de groep. Joachim Florent (ook bassist in het al even waanzinnige noisejazztrio Jean Louis), beperkt zich allerminst tot een ondersteunende rol en neemt geregeld de melodische leiding terwijl vibrafonist Benjamin Flament met zijn wijd arsenaal aan klanken een pulserend geluidsbed creëert. Ondanks dat ritmische spierballengerol legt MeTaL-O-PHoNe immers ook een verrassend verfijnd melodiegevoel aan de dag, de zware climaxen uitbalancerend met rustigere, contemplatieve gedeeltes. Of zelfs door het een volledige track rustig te houden, zoals in het bevreemdend lieflijke “Arthel” waar Flament en Florent hun melodieën voorzichtig in en over elkaar laten schuiven.
Flament zelf is geregeld de absolute ster van de show met een vibrafoonstijl die volledig de zijne is: ver verwijderd van het klassieke vibrafoonideaal van pakweg Lionel Hampton, en soms zelfs dichter in de buurt van het Afrikaanse duimpianowerk van groepen als Konono No. 1 (zie de onder distortion bedolven solo in afsluiter “Spirale”), maar vooral steeds onvoorspelbaar en inventief. Opvallend aan deze tweede plaat is ook hoezeer drummer Elie Duris gegroeid is in zijn rol als ritmische motor. Had hij op het debuut soms moeite om de sonic mayhem van zijn kompanen bij te benen, dan knalt hij er hier zelfverzekerd doorheen en biedt hij bovendien een indrukwekkend arsenaal aan ritmes en klanken die een algeheel rijkere sound opleveren.
Kosmos is vooral geslaagd in die zin dat het een vrij getrouwe weergave is van de overrompeling die de band live kan teweegbrengen. Een parallel met het vaderlandse Dans Dans is dan ook niet helemaal van de pot gerukt: beide trio’s bewegen zich in het niemandsland tussen jazz, zwaar groovende rock en vrije improvisatie (al doet MeTaL-O-PHoNe dat wel enkel met eigen materiaal) en beide bands weten pas op hun tweede plaat hun opwindende livegeluid overtuigend te verzilveren. Maar terwijl Dans Dans vorig jaar de verdiende erkenning en talloze speelkansen kreeg, blijft het rond MeTaL-O-PHoNe onbegrijpelijk stil. En dat is, te oordelen naar deze uitstekende tweede plaat, compleet onterecht. Of het zou iets te maken moeten hebben met die belachelijk gespelde bandnaam.



