Tony Joe White :: Hoodoo

Weinig artiesten zijn in een carrière van meer dan vijfenveertig jaar zo weinig geëvolueerd als Tony Joe White. Leg oudjes Black And White (1968) en … Continued (1969) naast zijn recentere werk en je zal, op enkele details in verband met de productie en het gebruik van blazers na, weinig verschil horen. . White vond meteen z’n bekende geluid en stijl en een stuk of vijfentwintig albums later zweert hij daar nog altijd bij.

Maar ze klinken soms zo verdomd cool, die albums. Zeker tot The Train I’m On (1972) was de lepe moerasvlegel amper op foutjes te betrappen. Die platen sudderen in het Zuidelijke vet, bestaan voor de helft uit seks en voor de rest uit groove en slechte bedoelingen. Spul dat het moet hebben van een zweterige sfeer, dwingende ritmes en natuurlijk dat baritongemompel van White, die altijd klinkt alsof hij al slenterend op jacht is. Dàt soort jacht, ja. Na de vroege jaren ging zijn muziek soms wat meer richting de pop, met de navenante producties erbij, en was wat anderen deden met zijn songs plots wat interessanter voor een breed publiek.

Het uitgeklede meesterwerkThe Beginning (2001) was een kleine artistieke comeback die eigenlijk meteen de kop werd ingedrukt , want verwacht vooral geen vernieuwing van White. Hoodoo klinkt als vanouds weer erg primitief, sensueel en hypnotisch, met een ritmesectie die werkelijk geen moeite doet om de meester een strobreed in de weg te leggen en er vooral is om dat monotone ritme aan te houden. “The Gift” is zo’n stuk met een metronoombeat waarbij je White vanonder een hoedrand ziet loeren naar de zon, een tandenstoker verplaatsend van de ene naar de andere mondhoek, een waarschuwing of twee prevelend. De sfeer van voodoo en lijfelijkheid, True Blood en de Robicheaux-reeks van James Lee Burke in één.

Er duikt al eens een verdwaalde orgel op, maar dat is bijzaak; deze muziek is een massief blok. “Holed Up” is meer van hetzelfde. White mompelt wat over kippenbotjes op de vloer met een hete patat in de mond, de muziek is als een trage boogie die hardnekkig weigert om een tandje bij te steken. Idem voor “9 Foot Sack”, dat bestaat uit minimalistische blues, maar dan wel van de soort die ongemerkt de heupen in beweging brengt. Soms klinkt het natuurlijk heel erg Amerikaans. “Alligator Mississippi” en “Sweet Tooth” hebben met die prominente drums dat Zuidelijke koortssfeertje dat Alannah Myles al een jaar of twintig geleden bij White kwam lenen. Iets voor zwartharige vrouwen in lederen outfits en andere leden van de plaatselijke brommerclubs.

En zo doet the Swamp Fox waar hij goed in is. Volstaat dat? Voor de fans en zij die genoeg hebben aan die repetitieve grooves misschien wel. Toch voelt het ook wat povertjes aan, wat onderontwikkeld zelfs, en kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat White in een comfortabele automatische versnelling zit. Zoals deze plaat kan hij er elke week eentje maken, en daar zal een autobiografisch stuk als “The Flood”, over de overstroming van 2010, niets aan veranderen. Natuurlijk valt er weinig op af te dingen als de song die je eindeloos herhaalt een goede song is, maar ook daar zijn er grenzen. Zelfs de heilige Ramones wisten die hardnekkigheid maar een jaar of vijf te counteren met fantastische platen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 2 =