Gotta Have Soul! :: Barrence Whitfield & The Savages vs. Black Joe Lewis

Soul, de échte variant, is duidelijk terug. Sharon Jones maakte het voorbije decennium furore met haar Dap-Kings en een handvol goeie tot fantastische platen, maar het verhaal van Charles Bradley, die als zestiger plots een van de heetste snoepjes van de voorbije jaren werd, spreekt nog meer tot de verbeelding. Het is dan maar te hopen dat er nog een paar artiesten een graantje van kunnen meepikken, want we zitten met een weelde aan kwaliteit. In de potige flank verschenen zopas twee albums van artiesten die dringend (nog) eens hun opwachting moeten maken op een lokaal podium: Barrence Whitfield & The Savages en Black Joe Lewis.

Whitfield is geen onbekende voor wie in de jaren tachtig een beetje oog had voor soulvolle blues. Met z’n energieke concerten, waarbij hij zich de helft van de tijd schaduwboksend over het podium bewoog, en intense vocale performances kreeg Whitfield een reputatie die hij, ondanks een potige ondersteuning van zijn Savages, te weinig kon waarmaken op plaat. Na de jaren tachtig viel de originele bezetting uit elkaar en was het behelpen voor Whitfield en de zijnen. Tot er die terugkeer was in 2010, met een paar kernleden en een herwonnen energie en focus. We zagen de band onstuimig van jetje geven op Roots & Roses 2012, waar ze tekenden voor het festivalconcert met een explosieve cocktail van stomende r&b, vette blues, uitbundige soul en met punk geïnjecteerde garagerock.

Die belofte wordt nu ook waargemaakt op Dig Thy Savage Soul, waarop een back to basics-beweging wordt uitgevoerd die overtuigt van de eerste tot de laatste seconde. 12 songs, 36 minuten. All killer, no filler, en vanaf opener “The Corner Man” is het meteen prijs. Met een riff die herinnert aan het beste van The Sonics, meepompende saxen en een stuwend orgel wordt duidelijk gemaakt waar het om draait: fuiven tot je erbij neervalt. Dat is de indruk die overheerst, want de plaat bulkt van de vitaliteit en de goesting van onverdunde rock-‘n-roll. Retro? Kan wel zijn, maar ook tijdloos, want geef nu toe, soms wil je even geen navelstaarderig geëmmer of artistiek verantwoorde kunst aanhoren en gewoon even met je gat staan draaien. Dig Thy Savage Soul doet voor de sleur wat Dafalgan Forte doet voor een aanhoudende tandpijn.

Lekker scheurende rootsrock à la Paladins (“My Baby Didn’t Come Home”, “Blackjack”) en bronstig beukende r&b (“Hangman’s Token” en “Daddy’s Gone To Bed”, dat haast even hard knalt als hun superieure versie van Jimmy McCracklins “Georgia Slop”, naait het Rockabilly Trio aan Howlin’ Wolf) passeren in gul gekruide porties. Er wordt wel eens gas teruggenomen met wat lichter materiaal (“Bread”), maar de hoofdmoot is bestemd om op een tape/mix-cd te knallen en loeihard tijdens autoritjes af te spelen. Barrence Whitfield & The Savages, ze zitten ergens tussen Robert Gordon, Dr. Feelgood en The Dirtbombs. Haal ze in huis. Wat een energieshot.

Het wat jongere Black Joe Lewis (voorheen met The Honey Bears erachter) is intussen toe aan album #4. Er viel wat van te verwachten — Tell ‘em What Your Name Is (2009) én Scandalous (2011) haalden moeiteloos ons eindejaarslijstje -, want hun combinatie van soul, funk, r&b en rock-‘n-roll was al even aanstekelijk als die van Whitfield en de zijnen. Electric Slave vertoont wel een iets sterkere verschuiving dan de vorige albums deden. Het zijn nog steeds dezelfde basisingrediënten die hier domineren, maar de band klinkt bij momenten wat lomper, wat heavier ook, misschien een tikje psychedelischer, alsof er een sterke invloed van jambands in geslopen is.

Zo is opener “Skulldiggin” eigenlijk vooral een uit z’n voegen barstende aanloop van fuzz en slogans die zo van Jon Spencer hadden kunnen komen. Daarna bewijst het sextet, waarin drie blazers van jetje kunnen geven, dat ze de voortjakkerende stukken ook nog in zich hebben, want “Young Girls”, “The Hipster” (check die geweldige “FUCK THAT SHIT!”) en “Guilty” staan scherp en in een geile spreidstand, verspillen geen energie aan overbodigheden en steken meteen het kruis vooruit met een zelfvoldane grijns en een mouw vol trucjes. Het is op die momenten dat je hoopt dat ze zo snel mogelijk eens deze contreien aandoen, want dat moet wel knetterend vuurwerk geven.

Idem voor “Come To My Party”, dat zo weggeplukt lijkt uit de zweterige seventies romans van Pelecanos, die volgestouwd zijn met muscle cars, in stijlvol maatpak gestoken gangsters en heupwiegende schoonheden met XL-afros. Dan zijn Black Joe Lewis en de zijnen de nazaten van Shaft, Superfly, Truck Turner en sheriff Bart uit Blazing Saddles. Toch is Electric Slave niet over de hele lijn van dat niveau: het volstouwen met logge effecten en stemvervorming gaat na een tijd een beetje te veel domineren, en het tweeluik “Vampire”/“Make Dat Money” laat de teugels wat te lang vieren, waardoor het ondanks z’n ranzige sound de draad verliest.

Black Joe Lewis is één en al fysieke vrijage, cocky attitude en een iets modernere sound, terwijl Whitfield & The Savages dan weer voor het plezantste, no nonsense retrofeestje zorgen. Die laatste krijgt ook onze lichte voorkeur (geen inzinking te bekennen), maar in godsnaam, wil iemand deze knallers eens naar België brengen, desnoods samen op een avond? Dat moet wel de geschiedenis ingaan als een van de meest legendarische feestjes van zijn tijd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − 2 =