Johnny Dowd :: Do The Gargon

Negenenveertig was hij, toen hij in 1997 debuteerde met de rafelige, ongemakkelijke rootsplaat Wrong Side of Memphis. Te oud om nog iets om hypes te geven en te uniek om zich de les te laten spellen. En kijk, goed anderhalf decennium later is hij toe aan z’n tiende studioplaat. Die laat horen dat Dowds actieradius wat verschoven is, maar dat gemuteerde wereldbeeld is nog even dement. Prachtig, zo’n consequent volgehouden dwaasheid.

Zagen we hem aan het begin van het millennium nog een paar zinderende concerten spelen die even intens als bezopen waren, dan viel er daarna gewoon geen voorspelling over te doen. De ene keer onsamenhangend en chaotisch, de andere keer een revanche met (of zonder) Jim White, in de weer met poëzie en visuals en steeds de kleurrijkste van de bende. De enige artiest die we ooit z’n eigen naam zagen scanderen en er nog mee weggeraakte ook. Het publiek dunde aardig uit sinds de begindagen, toen zijn naam even de ronde deed in de boekskes, maar de platen en concerten in deze contreien blijven elkaar opvolgen met de onwrikbare standvastigheid van de laatste échte communisten.

Do The Gardon werd net als voorganger No Regrets (2012) uitgebracht op Dowds eigen Mother Jinx records en, net als alle albums sinds Pictures From Life’s Other Side (1999), opgenomen in David Hinkle’s The Shop-studio in Willseyville, net buiten Dowds eigen Ithaca, NY. Zangeres Kim Sherwood-Caso is weer even verdwenen en laat de broodheer achter in handen van toetsenist Michael Stark en drummer Brian Wilson (Willie B.), die opnieuw ook die lekker pompende baspedalen voor z’n rekening neemt. De twee, samen ook actief als het duo Tzar, zijn voor een groot stuk bepalend voor het succes en karakter van deze plaat (en de vorige). De muziek heeft z’n spookachtige dimensie dan wel kwijtgespeeld, maar wat je ervoor in de plaat krijgt, is al even geschift. Onvergelijkbaar.

Vanaf “Gargon Gets All Biblical” beland je in een wereld waar ranzige discofunk en gemuteerde bluesrock de plak zwaaien. ZZ Top (een eeuwige favoriet) en Betty Davis zouden de favorieten zijn geweest tijdens de opnames, iets dat je volledig voor waar wil aannemen. Net als de terugkerende referenties Pere Ubu, James Blood Ulmer, artrock, free jams, Beefheart, Nile Rodgers en de traditionele rock-‘n-rollidioten. Do The Gargon, waarin de kleurrijke figuur Gargon de rode draad is, klinkt zompig, rauw en zot, maar ook onweerstaanbaar groovy, volgestouwd met even repetitief stotende (“Shaquille”) als funky ritmes (“Gargon Knocks”), pompende boogierock (die solo in “Pretty Boy”!) en de opgefokte hardrock van “Metal Turkey”, riffrock zoals alleen Dowd & co. die kunnen brengen.

De verhalen zijn knetter, de stem wordt regelmatig bedolven onder lagen Weenachtige effecten en er komt al eens een versleten riff aan te pas (“Pussywhipped”), maar voor de rest: party time. Het lome “Girl In A Suitcase” — een loungeballade voor Lynch-adepten en verloren gelopen zatlappen — buiten beschouwing gelaten, blijft Do The Gargon in onvervalste goofball-stijl verder denderen. En het had misschien wel mogen ophouden bij de slepende bluesrock van “Just To Touch Her Cheek” (meer ballen dan het complete Bonamassa-oeuvre) om het écht compact te houden, maar in elke van Dowds songs valt wel iets te ontdekken, of het nu een gekapt gitaarlijntje, onverslijtbaar drumpatroon of achteloos weggeslingerde lijn poëzie is. Do The Gargon zal vermoedelijk weinig nieuwe fans winnen, maar de liefhebbers kunnen gerust zijn: dit is een uitstekende Dowd, eigenzinniger en dansbaarder dan ooit tevoren.

Johnny Dowd speelt op maandag 16 september in Café Video (Gent). De dag erna is het te doen in café Den Trap (Kortrijk). Bring your dancin’ shoes, yo.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 5 =