BEST KEPT SECRET 2013 :: Danteske sardienentaferelen met lelijke bastaardbaby’s

Een nieuw festival, zomaar zonder veel aanleiding uit de grond gestampt net over de Nederlandse grens? Met namen als Arctic Monkeys, Portishead en Sigur Rós hoog op de affiche moést dat Best Kept Secret uitgebreid besnuffeld worden door een klein enolateam. Hun visitatierapport werd heden afgerond en wel met een gunstige beoordeling. Te weten, deze bevindingen:

Dag Een :: Kapotte groep gesignaleerd

Het wil niet zomaar een festival zijn, dat Best Kept Secret. Op poten gezet door een kleiner Nederlands boekingskantoor met steun van een Duitse livegigant, wil het inspelen op de recente trend van de “betere” festivals: lekker eten, meer slaapcomfort (met bungalows en een bijna rustige camping), en zelfs echt bier. Jupiler op de kaart van een Nederlands festival? Dat kan al bijna niet meer stuk!

Wat ook geslaagd mag genoemd worden, is het festivalterrein. Tussen de bomen aan de rand van het meer van Safaripark De Beekse Bergen is het aangenaam vertoeven. De inkleding is sfeervol, de podia op de juiste manier gespreid om een vlotte doorstroming te krijgen. Maar meteen al bij Maccabees wordt hét grote euvel van Best Kept Secret Jaar Eén duidelijk.

Wat een geluidsellende immers, daar aan het eenvoudigweg “One” genaamde hoofdpodium! Komt het door het grote wateroppervlak er net naast, of is er onkunde in het spel; in elk geval is de klank een wansmakelijke brij waarin enkel bas en drum zich staande kunnen houden. Niet dat we daar in het geval van Maccabees veel mee missen: songs heeft de groep hoorbaar nauwelijks, en met een geluid dat is blijven steken rond het jaar 2007 is er ook muzikaal niets aan verloren gegaan. Nauwelijks enkele songs ver, zoeken we dan maar de in het bos verstopte “Two”-tent op.

Surfer Blood is zo’n groepje waar u na dit jaar waarschijnlijk nooit meer iets van hoort, maar waarbij het vandaag goed toeven is. De band rond John Paul Pitts grossiert immers in prettige collegerock uit het Weezervaatje, en doet dat best goed. Het stelt allemaal niet zo veel voor — meermaals springen ons herinneringen aan het evengoed alweer vergeten one hitwonder Semisonic voor de geest — maar zolang het duurt is het best fun. Songs als “Say Yes To Me I Love You” en zeker het aanstekelijke “Gravity” nodigen uit tot gezapig meehobbelen, maar wanneer de groep er even later een schaamteloos van “Sweet Jane” gekopieerde riff tegen aan smijt, is het goed dat het gedaan is. Er staat ons immers een Bloc Party te wachten op het hoofdpodium.

Al is het maar de vraag of deze groep echt nog bestaat: plots blijkt drummer Matt Tong zonder enige reden vervangen te zijn door een vrouw, en ook een sjiekende Kele Okereke staat er weer met zijn gebruikelijke tegenzin. Dat het geluid van het grote podium ook nu weer volledig wegwaait, draagt alleen maar bij tot de ellende. Nochtans hoor je hoe songs als “Hunting For Witches” of “Waiting For The 7.18” in se nog altijd de sterkhouders zijn die ze ooit waren, maar een groep die niet meer gelooft in wat hij doet kan het vuur ook niet doen ontbranden.

Het is pas halverwege, met een zinderend “Song For Clay (Disappear Here)” en een aansluitend “Banquet” dat de mayonaise even pakt. We staan dan ver naar achter op het strand, en daar blijkt het geluid een pak meer gebalanceerd dan vooraan. De housepiano van “One More Chance” zou dan een binnenkoppertje moeten zijn, maar wanneer Okereke opnieuw staat te zingen met de passie van een verzekeringsagent die een schadeclaim moet uitkeren, mag die verwachting alweer de kist in. Je staat het maar wat aan te zien, en je begrijpt: net als die lauwe comeback plaat Four is dit een optreden van moeten. Na de zomer gooit de groep er opnieuw het bijltje voor onbepaalde tijd bij neer na nog een laatste EP, waarvan vandaag “Ratchet” wordt gespeeld, waarna de bandleden zich elk weer op hun eigen projecten kunnen storten. Het is beter zo, zo bleek na vandaag nog maar eens: Bloc Party is kapot, en het is maar de vraag of het ooit nog goed komt.

Omdat ons plichtsgevoel opspeelt, steken we ook even het hoofd binnen in de Two-tent, waar Macklemore & Ryan Lewis voor vertier mag zorgen. Het volk gaat uit zijn dak bij hitje “Thrift Shop”, maar had net zo goed het plaatje kunnen opleggen: de tape moet het nummer duidelijk dragen, en Macklemores rap voegt er erg weinig aan toe. Ja, er was een live trompet, maar daarmee worden helaas zelden meubelen gered.

Gelukkig staan Arctic Monkeys al te trappelen van ongeduld. Nuja, trappelen; de tijd dat dit een onstuimige horde jonge honden was, ligt al even achter ons. De groep gaat ondertussen in propere maatpakken gekleed, Alex Turner is voorzien van een gladde vetkuif, en een bijpassend Las Vegasaccent, maar voorts is het business as usual: fun en hits, strak in het gelid. Nieuwe single “Do I Want To Know” van het in september te verschijnen AM mag openen. En passeren latere nummers als “Brianstorm”, “Don’t Sit Down ‘Cause I Moved Your Chair” of “Crying Lightning” nog wat log, dan maakt een wervelend “I Bet You Look Good On The Dancefloor” de spieren helemaal los. “Is it okay if we play for you all night long?”, vraagt Turner nog, en de pret die die vraag impliceert vertaalt zich in een set die zich vervolgens van hoogtepunt naar hoogtepunt sleept. Met een knallend “When The Sun Goes Down” wordt een stevig uitroepteken gezet, waardoor het afsluitende “505” het nummer te veel lijkt. Geen klachten verder; Arctic Monkeys toonde zich nog even vitaal als toen ze acht jaar geleden debuteerden.

Op Primavera, enkele weken geleden, leek Fuck Buttons zich nog verbouwd te hebben tot plat beukende dance act. Vandaag begrijpen we hoe dat komt. Hoewel het eind juli verschijnende Slow Focus geen grote koerswijzigingen inhoudt, ligt in de geluidsmix van de Two-tent ook weer de nadruk op de beats. Het spel met de opbouwende laagjes noise dat het duo doorgaans speelt komt zo iets minder tot zijn recht, maar toch bouwt alles langzamerhand op naar een stomende climax waarin golven noise horen en zien doen vergaan. Precies zoals we het graag hebben.


Dag Twee :: Dansmuziek voor muurbloempjes

Goeiemorgen! Het Finse French Films zorgt meteen voor een stevig ontbijt met een portie poplawaai van de bovenste plank. Fris van de lever is hun mix van Jesus And Mary Chainachtige noise met prettig directe popsongs. Dit is postpunk met de losse heupswing van primitieve rock-‘n-roll, gespeeld met de vreugdevolle energie van jonge honden. De woohoo’s en pakkende refreinen waren duidelijk in de aanbieding, en meer is niet nodig om de tent flink wakker te schudden. De jongens zijn zelf zichtbaar verbaasd over zo’n enthousiast onthaal (“We thought we would be playing for about 50 people”), maar het is volkomen verdiend.

Dramatische Denen daarna, want Kashmir serveert het soort gezwollen pathos waar men in Nederland al eens al te gemakkelijk voor valt. Frontman Kasper Eistrup ziet er uit als Guy Garvey van Elbow, maar zeurt als Chris Martin van Coldplay. Niet te genieten dus, maar we zien een lichtpunt: na de ellende van gisteren lijkt het geluid aan de mainstage eindelijk onder controle.

“Hello Amsterdam”, galmt Ellie Rowsell verkeerdelijk aan het begin van de set van haar Wolf Alice. Ze herstelt zich meteen: “This is not Amsterdam”. Neen, het is Hilvarenbeek, zeg het maar zoals het is: “Hil-va-ren-beek”. Helaas. Ook muzikaal weet haar groepje overigens niet goed waar het nu uithangt. De ene keer klinkt de frêle zangeres als PJ Harvey op haar meest grungy, even later horen we folkpop à la James passeren. Schizofreen groepje zonder gezicht.

Met Indians en Braids valt er vandaag op podium drie een flinke portie elektronica te rapen, zij het twee keer van een heel ander kaliber. Anders dan zijn meervoudsvorm doet vermoeden, staat Indians geheel in zijn eentje op het podium, met niet veel meer dan een keyboard om zichzelf en het publiek bezig te houden. Hoe kaal het ook is, de ijzingwekkend synths van “Magic Kids” en de echoënde vocals die hij daar overheen drapeert, grijpen je ongenadig bij het nekvel. Knisperen zijn beats aanvankelijk nog voorzichtig op de achtergrond, dan mogen ze in “Reality Sublime” stiekem plots tòch voluit gaan. Dit is dansmuziek voor muurbloempjes die wat tijd nodig hebben om te ontdooien, en wie zijn wij om daar over te klagen?

Heel anders gaat het eraan toe bij Braids: vanaf de eerste noten ligt de nadruk hier op flink aangezette percussie, waar wij eigenlijk op een nieuwe lading dromerigheid gerekend hadden. Niet dus: de enige die hier met haar hoofd in de wolken lijkt te zijn, is frontvrouw Raphaelle Standell-Preston, die met haar blik op oneindig aan de knoppen staat te prutsen. Haar ijle stem doet daarbij denken aan Grimes — ze haalt ook minstens even schel uit – en soms zelfs Björk, terwijl het krakende klanktapijt van drums en allerlei synthlagen leentjebuur speelt bij Animal Collective. In het af en aan rollende, lichtjes exotische “Lemonade” pakt dat goed uit, maar wanneer de drums zich koest houden, verwordt het al heel snel tot niet veel meer dan hipstervriendelijk behang. Schoon, daar niet van, maar voor ons mag het net iets meer zijn.

Maar goed dus dat er ook de Two-tent nog is, waar hel en verdoemenis heersen terwijl Michael Gira zijn Swans doorheen een set donkere wolken gidst. De groep neemt zijn tijd om zijn doom-metal op te bouwen. Als in een western met Morriconemuziek is een dreiging onuitgesproken voelbaar aanwezig, en je hoort in de dronende climaxen waar Godspeed You! Black Emperor de mosterd heeft gehaald. “Do you understand” galmt Gira halverwege herhaaldelijk, maar aan de leeglopende tent te zien valt dat dik tegen. Onterecht; dit was een indrukwekkend staaltje pletwalserij.

Jaren geleden maakte Mike Patton een legendarische uitval richting Wolfmother met het venijnige zinnetje “Excuse me, is this 1972?”. We wilden dat de man vandaag ook aanwezig was om Jacco Gardner — inderhaast opgetrommeld om de herrieschoppers van Iceage te vervangen — er even op te wijzen dat het geen 1967 meer is. Je hebt immers retro, en dan onbeschaamd nostalgisch, maar deze Hollandse jongen gaat nog een paar stapjes verder. Dit is ongebreidelde kopieerzucht, een Xeroxbehandeling voor het werk van Syd Barrett. “Jamaar, dat bestaat al!”, pruttelt (lt) al na het eerste nummer, en ze heeft gelijk: allemaal wel aardig en wel, maar naar originaliteit is het hard zoeken. Het is 2013, Jacco. Tijd om wakker te worden.

Gardner is echter niet de enige die zich maar moeilijk weet los te rukken uit het verleden: op het hoofdpodium staat Allah-Las ongegeneerd retro te wezen, vermoedelijk met de volledige Nuggetscollectie in het achterhoofd. Geen klachten over de looks van deze onvervalste surferboys – goeie genen in Californië, zo veel is duidelijk – maar hun set is, ondanks een sympathiek gitaartje hier en daar, nogal magertjes. Wel een fijn spelletje spot de rip-off gespeeld: wij noteerden onder andere “Wild Thing” (in Rootscover “Long Journey”), “Gloria” tijdens “Busman’s Holiday” en zelfs ergens iets van Nirvana. “Time flies when you’re having fun”, dreint frontman Miles Michaud in “Sandy”. Moet het nog gezegd dat dit érg lang leek te duren?

“Ik háát die band”, vatte uw hoofdredacteur, immer genuanceerd, vervolgens zijn mening over Two Door Cinema Club samen. Geen idee wat de jongens precies verkeerd gedaan hebben, of het moesten hun onschuldige, wat brave maar altijd vrolijke popliedjes zijn. “Sleep Alone” knalt er nochtans meteen lekker in (drie dagen in een Hollands vakantiepark en het taaltje besluipt ons vocabularium al), en met het onweerstaanbare “Undercover Martyn” er meteen achteraan heeft de band het publiek onmiddellijk op de hand. Er wordt met confetti gesmeten, gecrowdsurft alsof het hier om vette rock-‘n-roll gaat en bovenal veel gedanst. De Ieren zijn duidelijk groot in Nederland, maar tegelijk blijkt ook al gauw dat wanneer de hitjes gepasseerd zijn, het plezier snel weer wegebt. Na “This Is The Life” zakt de set in, en is het wachten op “Something Good Can Work”, dat zich al vaker een ultiem festivalnummer toonde. Vanuit de verte, helaas, want we willen op tijd bij stage Two zijn.

Zetten wij even grote ogen op wanneer blijkt dat de tent voor Alt-J ook dan al bar-stens-vol zit. Dat hun debuutalbum An Awesome Wave vorig jaar op laaiend enthousiasme kon rekenen, is geen nieuws, maar wat we hier te zien krijgen zijn rasechte boybandtoestanden – er gaat nog net niemand van zijn stokje. Wel wordt er zwijmelend meegezongen met “Matilda” (makkelijk, met dat herhaalde zinnetje). De adoratie is ook niet geheel onterecht: vroeg in de set wordt het wonderschone duo “Something Good” – “Dissolve Me” bovengehaald, en zelfs met het achtergrondgeruis erbij van Hollanders die hier zijn voor de muziek én om even lekker te wauwelen, blijkt nog maar eens dat dit onmogelijk kapot te krijgen wereldnummers zijn. Het is moeilijk te zeggen wat het hem precies doet: ergens in de vermenging van beats met koorknaapjessamenzang zit een erg doeltreffende toverformule verborgen, nog geholpen door de melodieën die zich onverbiddelijk vastzetten in je hoofd. De overweldiging van het concert op Pukkelpop is er niet meer (een niet zo volle tent bij veertig graden is nog altijd aangenamer dan dit), maar Alt-J bevestigt wel moeiteloos.

Twee platen. Twee! Zoveel heeft Damien Rice geschreven op tien jaar tijd. Blijkbaar was het wel genoeg een headlinerstatus te versieren, en die komt de Ierse bard solo en met veel charme invullen; een flard Frans in opener “The Professor & La Fille Danse”, meteen ook “Cannonball”, en — omdat het vechten tegen de beats van Melody’s Echo Chamber is — een hevig “Woman Like A Man”. “Nine Crimes” wordt onthaald als de hit die het is: massaal meegezongen, waardoor Lisa Hannigan nauwelijks wordt gemist.

En dan begint het even stevig door te regenen, wat de zanger countert met een sterk “Volcano”, al moeten al die publieksspelletjes nu ook weer niet. Wie denkt Rice wel dat hij is? Frank Vander linden? Helemaal glad entertainment wordt het wanneer de Ier een verhaal inzet aan een cafétafeltje en — “I like to get authentically drunk when I do this song” — drie glazen rode wijn achterover slaat. “Cheers, Darling”, volgt in een pseudodronken versie. Ober, de kortste weg naar Las Vegas, graag!

Al dat theater is overbodig; dat Rice nog altijd het beste is als hij gewoon zijn songs brengt, bewijst hij nog even met een intens “The Blower’s Daughter” en “Rootless Tree”. In de bis volgt nog de keuze tussen een oud en een nieuw nummer; het publiek laat oorverdovend weten dat een nieuwe plaat duidelijk niet moet, maar toch krijgen we “The Box” dat nog geen plaatversie kreeg. Zou Rice dan toch langzamerhand klaar zijn voor album nummer drie? Dit optreden bewees in elk geval dat Rice zijn geld nog altijd waard is en er ook nog steeds een publiek voor is.

Waarna Savages de werkzaamheden voor vandaag mag besluiten. Eerlijk: het werkt vannacht niet. We horen geweldige, op Joy Division gestoelde baslijnen, maar nauwelijks een song die naam waardig. Ook het Siouxie Siouxachtig krijsen van zangeres Jehnny Beth gaat langzamerhand op de zenuwen werken. Genoeg voor vandaag dus, en wij zakken langzamerhand af naar de camping. Tot morgen!


Dag Drie :: Een cowboy disco song

Zou het ongooglebare No al eens van The National hebben gehoord? Is het toeval dat frontman Bradley Hanan Carter niet alleen een bariton heeft die in dezelfde barmoeder als die van Matt Berninger moet zijn gevormd, maar ook veel van het podiumgedrag van die zanger kopieert? Het antwoord is waarschijnlijk “Neen, niet helemaal”, maar toch willen we No niet afschrijven als een goedkoop National Light. Daarvoor zijn de songs die de groep mee heeft net iets te sterk, en Hanan Carters podiumvastheid te groot. Enkel bij de iets te flauwe setsluiter willen we nog even roepen “Coldplay heeft gebeld: ze willen hun “oohoooh”‘s terug.” Het is een klein gebrek, maar geen bezwaar wanneer we na afloop zien hoe de zanger gratis downloadcodes voor EP Don’t Worry, You’ll Be Here Forever uitdeelt aan het toelopende publiek: deze groep komt er wel, met of zonder onze steun. Maar als dat debuut er is, zullen we in elk geval met interesse luisteren.

De eerste fikse regenbui van de dag is gepasseerd, tijd voor Mikhael Paskalev om voor een voorzichtig streepje zon te zorgen. “This song is about Chris Brown and Rihanna’s relationship”, kondigt hij opener “Come On” aan, maar dat is gelukkig minder dramatisch dan het lijkt: de overenthousiaste bandleden proppen zo veel mogelijk verschillend ideeën in één song, om er een ietwat rommelig, maar best charmant folky geheel van te maken. Single “I Spy” is een vrolijk samenraapsel van Dylaneske mondharmonica en samenzang met de nodige aiaiai’s en eieiei’s, “What’s Life Without Losers” klinkt dan weer als Paul Simon die zijn gekste stemmetje opgezet heeft. Paskalev en de zijnen weten duidelijk nog niet wat voor band ze willen zijn — tenzij u wél begrijpt wat een “cowboy disco song” precies is — maar hun probeersels zijn alvast aardig genoeg voor een laidback zondagmiddag.

En dan is het weer maar eens rennen naar het tweede podium voor de vunzige jongetjes van Black Lips. Hun aanpak is ondertussen bekend: rammen-rammen-rammen aan een onvermoeibaar tempo, maar altijd met de nodige zin voor melodie. Omdat het nog vroeg op de dag is, blijven de gebruikelijke wantoestanden uit (pas bij het laatste nummer wordt er bier richting publiek gegooid, en de tijden van elkaar onderpissen lijken ook voorbij), maar dat doet niets af aan hun nummers die er heerlijk op los blijven rammelen. Net als bij Allah-Lahs wordt er langs alle kanten gepikt van zowat elke garage- en punkband (“Dirty Hands” is wel érg letterlijk “I Wanna Be Your Boyfriend”, weliswaar met een Velvet Underground gitaartje), maar Black Lips doet het met verve. Een indrukwekkende stortbui doet de tent vol Lips-leken stromen, maar dat deert niet: uiterst meebrulbare songs als “Not A Problem” en “Bad Kids” zijn overtuigend genoeg om ook niet-ingewijden mee te slepen. Black Lips zijn de lelijke bastaardbaby’s van de Beatles en de Ramones: hun moeder vindt dat misschien iets minder, maar wij kunnen er alleen maar blij mee zijn.

Nog meer gerammel in de vooravond op stage One, met Palma Violets. De Britse pers heeft zijn uiterste best gedaan om dit bandje naar ongekende hoogten te hypen, en al zijn we suckers voor het aan The Libertines verwante geluid dat de heren trachten te produceren, hier blijven we wel érg op onze honger zitten. “Johnny Bagga’ Donuts” nestelt zich nog ergens aangenaam tussen The Clash en The Vaccines in, en met “Best Of Friends” en “Last Of The Summer Whine” heeft de band twee songs met anthem-ambities op zak, maar de lousy manier waarop vooral dat eerste afgehaspeld wordt (het “Over and over again”-refrein van het tweede is onverwoestbaar), is echt niet sterk genoeg. Aan de andere kant: laat hen nog wat in de garage oefenen, en het komt misschien nog wel goed.

Tijd voor de jammerlijke miscast van de dag: hoe goed Kurt Vile ook kan zijn, de op één na hoogste plek op het hoofdpodium is niet waar hij hoort te staan. Vile overschouwt wat onwennig de zandvlakte voor hem, die enkel op pakweg de eerste twintig rijen gevuld is, en laat zijn lome, laidback rock wegwaaien over het terrein. De songs die hij meebrengt zijn niet slecht, maar het pakt hier gewoon niet: de soloversie van “Peeping Tomboy”, met enkel Vile op gitaar, is te kaal om een podium van deze grootte te vullen, en ook het zomerse “Wakin On A Pretty Day” kabbelt voorbij zonder te beklijven. Het driftig voortjakkerende “Freak Train” is zoals steeds dan toch weer een epische afsluiter, met zijn zotte saxofoon, maar het is te laat om daarmee te overtuigen: er staat geen kat meer op het strand, terwijl de tent bij podium twee net niet scheurt van het volk dat erin gepropt moet worden.

Want laten we eerlijk zijn: de tweede grootste naam op de affiche vandaag is niet Kurt Vile, maar Portishead. Die groep op een kleiner podium plaatsen, is dus vragen om weer Danteske sardienentaferelen in en om de Two-tent. Toch geen klachten over dit optreden, dat zelfs de immer luidruchtige Noorderburen de mond snoert — verbazend zelfs hoe “Roads” voor één keer niet in de vernieling wordt geklapt — , of het zou moeten zijn dat het zonder een blik op het podium wel heel erg dicht bij de plaatversies aan leunt. “Mysterons”, “Silence”, “Machine Gun” passeren allemaal bijna noot voor noot perfect, en ook Gibbons zang is onwerkelijk mooi. Het is pas bij het afsluitende “We Carry On” dat de groep zijn duivels ontbindt, en over een minutenlange motorik beat loosgaat; heerlijk moment dat toont dat de groep dringend nog eens een plaat als Third, waarop de triphop week voor krautrock, moet maken.

Dat machtige slotnummer zorgt er wel voor dat we ettelijke minuten te laat bij Sigur Rós aankomen. Vraag ons dus niet hoe opener “Yfirbord” klonk, maar “Brennisteinn” is daarna duidelijk: het door het vertrek van toetsenist Kjartan Svenisson tot trio herleidde ensemble presenteert zich vandaag als rockgroepje, en dat staat hen voor één keer wel. Deze band heeft zijn portie mystiek sowieso wel gehad, het was tijd voor iets anders: wat bruter en rauwer aangezet, net als op de afgelopen week verschenen zevende plaat Kveikur. Jammer is wel dat het geluid vooraan veel te stil klinkt. “Glósóli” mist zo veel van zijn impact — zelfs de strijkers en zeker de blazers komen er nauwelijks door — en ook afsluiter “Popplagið” passeert daardoor flauwer dan zou mogen.

Valt er niet te genieten dan? Natuurlijk wel. De gongetjespercussie van het nieuwe “Isjaki” is knap, “Varúð” zorgt voor een moment van verstilling waar zelfs geen kwekkende Hollander in durft in te breken. Het is overigens opmerkelijk hoe opzichtig Sigur Rós Ágætis Byrjun en () bijna volledig negeert. Als beseffen de groepsleden eindelijk dat ze al te lang op dat materiaal hebben geteerd, krijgen we met “Festival” en “Hoppípolla” nog sterkhouders uit latere platen, maar het is “Kveikur” dat het meest indruk maakt met zijn stevige climax en krachtspel. Dit zou wel eens een boeiende nieuwe richting voor de groep kunnen zijn: weg van het etherische en met een meer open blik op de wereld.

En zo zit de eerste editie van Best Kept Secret er op. Minder niche dan het zich had aangekondigd, plaatst het festival zich eerder ergens tussen Pukkelpop en Dour in: veel kleinere groepen, een paar headliners die er boven uit steken. Dat er ruimte is voor het festival op de kalender blijkt uit het bordje uitverkocht, maar er zijn voor volgend jaar nog enkele kinderziektes op te lossen. Zo was er veel te weinig sanitair voorzien op camping en festivalterrein, en werden ook programmatorische fouten gemaakt door grote groepen in een te kleine tent te voorzien, waardoor het kijkcomfort (als er van kijken al sprake was) minimaal was. Oh, en er is in Nederland natuurlijk ook een nationale cursus volksopvoeding nodig dat je niet met luide stem doorheen een optreden tatert. Het is dat of als merchandise volgend jaar grote Best Kept Secretstickers om over die eeuwig door ratelende monden te plakken. Maar voor de rest? Geen klachten over deze neofiet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − negentien =