Sidsel Endresen & Stian Westerhus + The Germans :: 31 januari 2013, Vooruit

Nadat het Noorse duo Sidsel Endresen en Stian Westerhus met Didymoi Dreams een van de mooiste albums van 2012 maakte, mochten de twee dat ook eens komen overdoen op het podium van de Vooruit. Daarvoor stonden ze op een double bill met The Germans, een van die weinige Belgische bands die al net zo moeilijk te definiëren zijn. Geen avond voor wie op zoek was naar houvast, wel een belevenis voor wie hunkert naar het ongewone.

Westerhus nam plaats voor een rij gitaarversterkers en pedalen met J. Mascis-proporties. Hoewel hij niet het complete register zou opentrekken en/of de beuk erin gooien (al kreeg je enkele keren grommende basgolven over je heen die zowat de volledige balzaal deden daveren), bewees hij nog maar eens tot een van de meest originele en eigenzinnige gitaristen van zijn generatie te behoren. Westerhus is een virtuoos die niet enkel weet wat hij met een gitaar kan doen, maar ook hoe hij geluid kan manipuleren. Met strijkstok, pedalen, loops, laptop, effectpedalen en zelfs een uitgetrokken gitaarkabel creëert hij een desoriënterende wereld van gegalm en gegier, waarbij de link tussen wat je ziet en wat je te horen krijgt soms compleet overhoop gegooid lijkt.

Is Westerhus aan het werk zien al een spektakel op zich, dan worden nog grotere hoogten bereikt in combinatie met zangeres Sidsel Endresen, die al langer een van de boegbeelden van de Scandinavische experimentele muziek is en met haar hyperpersoonlijke stijl altijd indruk weet te maken. Haar gamma leek wat vernauwd in vergelijking met de muziek op het album, maar haar geïmproviseerde, vaak tussen kinderlijke onschuld en stamelende verwarring neigende uitingen blijven een zekere raadselachtigheid uitstralen. Zeker in het langere eerste stuk bleef het duo zeer coherent op elkaar inspelen.

In het kortere tweede stuk ging het er wat expressiever aan toe, was Westerhus regelmatig wat ritmischer in de weer, ging Endresen wat meer vreemde technieken produceren (o.m. door het maken van keelklanken) en was ze ook fysieker aanwezig, rommelend met haar denkbeeldige potjes. Het resultaat was ook nu een bezwerende performance, die het ene moment vervreemdend was, maar even later in een pastoraal aanvoelend universum ronddoolde dat haast zo mooi was als de droomwereld van Robert Wyatt. Een uniek verbond.

Die van The Germans brachten zonet hun derde album Mother Sings In Front Of The House uit, een release die ofwel wordt onthaald met een pervers genoegen, ofwel zorgt voor verwarring over de onvoorspelbaarheid en ongrijpbaarheid van de muziek. Beweren dat The Germans sinds Elf Shot Lame Witch wat toegankelijker is geworden, zou dan ook een leugen zijn. Anno 2013 vertoeft de band uitsluitend nog in zijn zelfgecreëerde universum, een plaats waar een hypnotisch bonkende ritmesectie, grillig geschetste gitaarpartijen, zeurende keyboards en bombastische zanglijnen een merkwaardig verbond aangaan.

Voorzien van een behoorlijk kloeke sound, met vooral een ongemeen vet pompende basgitaar, werd meteen door het recente album geraasd. Zanger Jakob Ampe mag gerust als een van de meest ongewone Vlaamse rockzangers worden beschouwd, maar het gitaarwerk van Vincent Cauwels is al net zo opmerkelijk. Doet hij het ene moment wat denken aan de avant-funk van Adrian Belew op de klassieke Talking Heads-albums, dan lijkt hij even erna in een wereld te verkeren die verwant is aan die van Pere Ubu. Vooral in het geweldige “Lonely Kid” (David Thomas moet dat wel geweldig vinden) lag er een hoofdrol voor hem weggelegd.

Het openingsluik werd al even indrukwekkend afgerond met het onwennige hoorspel van “Mother Sings”, dat voortgestuwd werd door een mechanische groove en compleet aan stukken gerukt werd door galmende gitaaruithalen. Daarna werd de band bijgestaan door pianiste Heleen Van Haegenborgh en Thomas Smetryns. Die laatste liet Ampe ook al meespelen in zijn Chicago Songbook-project, maar kwam nu zelf aandraven met zijn platendraaiers om de zo al excentrieke muziek van de band van nog wat meer eclectische franjes te voorzien. Van Haegenborgh ging de piano nu eens te lijf met draden (“Poor Women And Homos”), maar kreeg op andere momenten volop de kans om de leemtes vol te steken met tingeltangels en gedaver met de onderarmen op het ivoor.

De focus van de eerste paar songs wist de band niet altijd aan te houden doorheen het volledige concert, daarvoor teerde een song als “We Won” misschien iets te veel op weirde stemeffecten, maar het werd wel snel duidelijk dat The Germans als geen ander een zelfgeschapen wereld van contraire waanzin op poten heeft gezet. Soms klinkt dat alsof een primitieve avant-garde rockband plots de elektronica ontdekt, of alsof je ineens getuige bent van een of ander sektarisch ritueel, dat door die strompelritmes en voortdurende ontregelingen in toenemende mate gaat klinken als een koortsdroom, die al dan niet door foute hallucinogenen werd opgewekt.

Is dat mooie, snel meeslepende of makkelijk in het gehoor liggende muziek? Nee, verre van, maar je kan je net zo goed de bedenking maken dat er dezer dagen (te) weinig bands zijn die de luisteraar voor zo’n uitdaging stellen. Die niet voortdurend behagen. Voor een klein uurtje in de wereld van The Germans duiken, dat is een avontuur. En zeker wat anders dan als een comateuze patattenzak naar pakweg The Voice & co. loeren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 3 =