Paul Weller :: Sonik Kicks

Paul Weller draait al zo lang mee (The Jam bracht twee albums uit in 1977!) dat het bijna als een schok komt dat hij eigenlijk nog maar 53 is. Na zes platen met The Jam en nog eens zoveel met The Style Council, is hij intussen al toe aan z’n elfde soloplaat. De vraag is enkel of hij de creatieve renaissance die werd ingezet met 22 Dreams (2008) en tot een onverhoopte piek leidde op Wake Up The Nation (2010), heeft kunnen verder zetten.

Die Wake Up The Nation was achteraf bekeken een spetterend statement: even eclectisch en voluptueus als het eraan voorafgaande 22 Dreams, maar dan met puntige, gedreven songs die op geen enkel moment de indruk gaven dat je een vijftiger op z’n retour hoorde. Na jarenlang een voorbeeld te zijn geweest voor generaties van Britpoppers, leek het wel alsof de jeugd afgestraald was op Weller, die er een verbazend bruisende plaat mee maakte. En divers, dat ook. Dat laatste element is zeker ook terug te vinden op deze nieuwe plaat, wat al wordt gesuggereerd door de titel.

Je krijgt hier daadwerkelijk een uitvoerige staalkaart van invloeden voorgeschoteld, waarbij je je zo kan voorstellen wat een geweldige tijd de muzikanten gehad moeten hebben in de studio. Dit barst immers van de ideeën, goesting en variatie, schipperend tussen klassieke en moderne invloeden, analoog en digitaal, akoestisch en elektrisch. Het mist misschien wel de compacte scherpte van Wake Up The Nation, maar je kan deze wat gezapiger en rijkere plaat ook beschouwen als een verfijning van wat voorafging.

Wat je hier te horen krijgt, is immers met zo’n vakmanschap in elkaar gestoken dat je het binnen een paar decennia nog steeds aan de man gaat krijgen: van de elegante pop van “When Your Garden’s Overgrown” (het zou zo terecht kunnen komen op een plaat van mid-periode Blur), de door een krautgroove voortgestuwde opener “Green” (doet bijna denken aan de electro-avonturen van Pete Shelley na The Buzzcocks), de aanstekelijke soulpop van “That Dangeous Age”, skapunk met “Kling I Klang” en psychedelische rock met “Drifters”. Het zijn songs die zo naturel klinken dat ze aanvoelen als covers. Dan besef je dat het gewoon Wellers identiteit als songschrijver is die steeds te herkennen valt, onder welk cosmetisch laagje ze ook verstopt is.

Het trage, met strijkers opgeluisterde “By The Waters” had dan ook net zo goed op Wild Wood gepast, de opgewekte pop van “The Attic” had zelfs een versnelde track van The Style Council kunnen zijn, en songs als “Around The Lake” en “Paperchase” (nog eens Blur) zijn van die schijnbaar moeiteloze soort die Weller maar uit z’n mouw blijft schudden. Sonik Kicks is geen triomf van voor tot achter — de dub van “Study In Blue” is minstens de helft te lang, het experimentele instrumentaaltje “Sleep of The Serene” zorgt even voor een puddingeffect(je) en afsluiter “Be Happy Children” is net wat té wollig –, maar het zijn uitzonderingen.

Als Wake Up The Nation bewees dat Weller niet alleen in staat was om verfijnde, vol perspectief en nuance volgestouwde popplaten te maken, maar ook nog altijd hedendaags ronkende rockalbums, dan slaagt Sonik Kicks er voor het grootste deel in om het beste van die werelden van experimenteerdrift en gedrevenheid te combineren. Niets dan weelde, dus. Weller kan nog even mee.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 2 =