Liz Green :: O, Devotion!

Veel meer nog dan rockgroepen in allerlei formaties en vormen zien artiesten die louter of grotendeels terugvallen op de akoestische gitaar en hun eigen stem zich steevast vergeleken met enkele van de grootste of meest illustere namen die eenzelfde weg opgegaan zijn. Genreomschrijvingen als folk, blues en singer-songwriter alleen lijken niet te volstaan.

Voor de Britse chanteuse Liz Green ligt de vergelijking met Karen Dalton het meeste voor de hand, zelfs al betreft het hier niet meer dan een oppervlakkige gelijkenis. Want ook al is het zo dat Green een nasale zangstem heeft, toch ligt haar intonatie en parafrasering veel dichter bij de oude blueszanger Blind Willie McTell dan bij de vele folkzangeressen die sinds de jaren zestig hun stempel blijvend op het genre drukten. Greens muziek duikt dan ook verder terug in de tijd en keert terug naar de bron, waarbij ze de Amerikaanse blues koppelt aan de eigen Britse traditie van Music Halls.

Naast Greens gitaar vormen blazers (altsaxofoon en trombone) en de contrabas de ruggengraat van het gros van haar songs, met een toefje drum en percussie om het geheel, conform de tijdsgeest, af te werken. In “Hey Joe” (niet te verwarren met de standard die door Jimi Hendrix onsterfelijk werd gemaakt) zijn het nog de blazers die het gros van het werk op zich mogen nemen, maar vanaf “Midnight Blues” zit Green zelf stevig in het zadel. De gezapige maar speelse gitaarmelodie wordt geregeld benadrukt dankzij de blazers die enkele fragmenten extra in de verf zetten. Het is een mooi contrast met de eerste song die grotendeels vorm gegeven wordt door het duet tussen Greens zang enerzijds en de blazers (in het bijzonder de trombone) anderzijds.

“Luis” bijvoorbeeld steunt volledig op Greens aparte manier van zingen — die niet beperkt kan worden tot haar stemgeluid — terwijl de (akoestische) gitaar maar ook de sporadische drum, contrabas en blazers grotendeels de hoekjes inkleuren. Slechts in het refrein mag de sax even mee naar de voorgrond treden voor een bijkomende melodielijn. “Bad Medicin” lijkt zelfs een solo-uitstap te worden tot een prachtige trombonesolo tijdelijk het spotlicht opeist. Voor de echte solonummers is het wachten op het zacht meanderende “The Ostrich Song” en het al even ingetogen (op het randje van a capella balancerende) “Gallows”. De twee afsluitende nummers vormen een laatste dans vooraleer het doek valt, en kiezen voluit voor de melancholie waar de andere nummers een pak speelser klinken.

Uiteraard is ook in nummers als “French Singer”, de enige pianosong, een zekere weemoed te horen, maar in deze songs valt veel meer een mix van emoties te horen die in de eerste plaats een zaal vol danslustigen in het Groot-Brittannië van de jaren dertig wil entertainen. Neem bijvoorbeeld “Rag & Bone” dat zich laat leiden door de contrabas en bijpassende (jazz)drum en aldus opteert voor een beheerst meewiegen en vingerknippen. Of anders het walsende “Displacement Song”, dat zijn heupwiegende karakter in niet onbelangrijke mate aan de trombone dankt terwijl de sax voor een swingende ondertoon zorgt. Diezelfde trombone, met de contrabas als ondersteuning, verleent aan “The Quiet” overigens enkele vrolijke noten die mooi contrasteren met de meer ingehouden gitaarstukken.

O, Devotion! laat zich niet eenvoudig vastpinnen in een genre. Greens voorliefde voor de late jaren twintig en jaren dertig vormen zowat het enige houvast bij de omschrijving van haar songs, al doet het de plaat net zo goed onrecht aan om haar te bestempelen tot een nostalgisch product of een genreoefening. Folk, blues, en music hall vormen weliswaar de leidraad voor de plaat, maar het blijft wel degelijk de merite van Green zelf dat het tot een unieke stem die verwordt die een intrigerende tijdloosheid uitwasemt die tot aan zijn knieën in de jaren dertig verankerd is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × vijf =