Brad Mehldau Trio

Op
13 maart 2012 verschijnt ‘Ode’, het langverwachte nieuwe
studioalbum van het Brad Mehldau Trio. Het was al sinds ‘Day Is
Done’ uit 2005 geleden dat de pianist nog eens met zijn kompanen
Larry Grenadier en Jeff Ballard een album opnam. Technisch
gesproken heeft Mehldau de afgelopen jaren wel vaker een beroep op
zijn trio-muzikanten gedaan, voor live-concerten en soloprojecten,
waaronder het sublieme ‘Highway Rider’. Het collectief was dus
verre van opgedoekt. Het bezoek van het Brad Mehldau Trio aan de
BOZAR was dus zowel een officiële aankondiging van het nieuwe album
– tijdens het concert is er weinig of niets van uitgevoerd – als
een teken dat de groep toch nog steeds perfect op elkaar ingespeeld
is.

Sinds een aantal jaar is Brad Mehldau een volkstrekker geworden
onder het jazzpubliek en dat weerspiegelde zich dan ook in een
grote opkomst. Hoewel het trio van nature een iets experimentelere
insteek zou moeten hebben, was daar op de planken weinig van te
merken. Het openingshalfuur bleek voornamelijk een toegankelijke
introductie in de veelzijdigheid van Brad Mehldau. De groep koos om
te openen met ‘Great Day’, een nummer van Paul McCartney en
eveneens een enigszins verrassende manier om de aftrap te geven. De
harmonie van de compositie liet heel wat bewegingsvrijheid toe,
waardoor Mehldau onmiddellijk ook verschillende persoonlijke
motiefjes in de architectuur van de melodie kon verweven. Vooral
dat flinterdunne vleugje blues zette direct de juiste toon. Ballard
leek aanvankelijk nog even naar een goede houding te zoeken,
waardoor de percussie een beetje dof en ongeïnspireerd overkwam.
Dat werd echter ruimschoots gecompenseerd door een interessante
dynamiek die zich tussen Mehldau en bassist Grenadier ontwikkelde.
Paul McCartney had zijn werk gedaan en vervolgens was Charlie
Parker aan de beurt. Mehldau had er weinig moeite om zelfs het werk
van de legendarische saxofonist helemaal naar zijn hand te zetten.
Zowel Grenadier als Ballard konden geregeld hun inspiratie de vrije
loop laten gaan, terwijl Mehldau dan telkens poogde om er met zijn
piano op in te pikken. Aardig, al bleef het soms nog wat op de
oppervlakte steken.

Tussen klassiekers en herinterpretaties van andermans werk, kon de
luisteraar ook geregeld een stukje uit Mehldaus eigen repertoire
oppikken. In het eerste half uur was dat bijvoorbeeld een wals,
terwijl later op het concert hij een nieuw nummer met de titel ‘Ten
Tune’ presenteerde. Vooral bij dat laatste klonk het toch allemaal
iets frisser en eigentijdser dan alles wat we daarvoor al gehoord
hadden. Het ritme wisselde vaker af, doordat Ballard heel wat werk
op de cimbalen verrichtte. Het pianospel van Mehldau begon ook nu
pas voor het eerst te intrigeren: een melancholische melodie – die
wat ons betreft een pimped up versie van ‘Twee Meisjes’
van Van het Groenewoud was – creëerde net de gepaste breekbare
spanning die het concert nodig had. Mehldau leek zich ook iets meer
thuis te voelen in een zelfgeschreven compositie die zijn viriele
en energieke speelstijl goed beklemtoonde. Met zijn twee handen kon
hij perfect twee loslopende melodieën met elkaar verbinden, die
wonderlijk als een geheel in elkaar overgingen. Bij de volgende
compositie was dat vloeiende jammer genoeg iets minder aanwezig:
Mehldau had daar iets te sterk de neiging om zich met een trage en
gesticulerende stijl wat in de kijker te zetten. En dat terwijl de
pianist het vooral van zijn vurige, breed uitwaaierende en
passievolle stukken moet hebben – waar er geen tijd is voor al te
veel vertoon.

In het anderhalf uur dat voor het trio werd uitgetrokken, speelde
Mehldau een rijke selectie met composities van verschillend allooi,
al kon hij niet altijd vermijden dat er soms een kleine inzinking
plaatsvond. Af en toe vergleed de muziek iets te opvallend in een
grijs klankenspel, dat een aantal minuten bleef voortkabbelen –
iets wat overigens zelden bij Mehldau gebeurt. Voornamelijk een
aantal individuele solo’s bleken soms iets te lang te duren,
waardoor er minder vaart achter het concert zat. Gelukkig raakte
het tij nog enigszins gekeerd in het slot. Met ‘I Cover the
Waterfront’ speelde Mehldau een rustige ballade die echter wel de
gehele tijd bleef boeien, want de muzikant leek met vlinders in de
buik piano te spelen en dat gevoel werd makkelijk op het publiek
overgebracht. Het laatste nummer vloeide rustig over in een drietal
(korte) bisrondes, waar het trio telkens nog eens kon uithalen.
Vooral Grenadier liet zich daar op positieve wijze opmerken, door
de nadrukkelijke overgave waarmee hij telkens zijn volledige
contrabas bestreek. Mehldau deed weinig onder voor die prestatie,
al bleef het bij momenten toch iets te vaak op een veilige modus
steken. De echte improvisator in Mehldau hebben we tijdens de
gehele avond niet nadrukkelijk gezien.

Wat het nieuwe album ‘Ode’ met zich mee zal brengen, is vooralsnog
een raadsel, aangezien het trio niet van de gelegenheid heeft
gebruik gemaakt een tipje van de sluier te lichten. Het leek alsof
Mehldau vooral wou proefdraaien met een aantal toegankelijke en
bekende nummers, alsook zonder grote risico’s te nemen. Zowel de
manier van improviseren als de selectie van composities kon als
klassiek bestempeld worden, keuzes die het tempo van het concert
toch enigszins afremden. Al bij al iets te voorzichtig dus voor een
man als Mehldau; al leek het publiek daar niet om te deren. Mehldau
trekt dezer dagen nu eenmaal volle zalen, hoe dan ook.

http://www.bradmehldau.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + drie =