Been Obscene :: Night O’Mine

Elektrohasch Schallplatten, 2011

Al gekscherend zeg ik wel eens dat de Oostenrijkers de
Überduitsers van Europa zijn. Nog perfecter georganiseerd, nog
properder, nog harder werkend en nog angstaanjagender. Het meest
angstaanjagende aan Been Obscene is de twijfelachtige naamkeuze,
wat de rest betreft klopt mijn stelling toch een beetje. Na het
debuut in 2010 kwam de band dit najaar al op de proppen met een
opvolger. De band kruipt ook zeer vaak in een (netjes afgestoft)
busje voor optredens in de hele regio tussen de Noordzee en de
Alpen. Voor dit soort bands, vind ik, moet je altijd respect
hebben, zelfs als de muziek je niet goed ligt.

Aanvankelijk was deze wat onverschillige toon ook de toon waarin
ik heel deze recensie zou schrijven. Bijgevolg werd dat schrijven
op de lange baan geschoven. We worden hier immers nogal
blootgesteld aan Latijnse invloeden, niet waar?. Leg dit album
echter gedurende een paar maanden af en toe een keertje op, en dan
blijkt dat het zich comfortabel en vastberaden in je prefrontale
cortex heeft genesteld. Onwillekeurig begin je de melodieën mee te
neuriën en de teksten van de refreinen na te murmelen.

‘Night O’Mine’ is geen plaat die de luisteraar oppookt tot hij
zich uitbundig overgeeft aan losbandigheid en vertier. Het is
evenmin een trip naar parallelle bewustzijnsvormen, of zo’n
typische, ingetogen “zetelplaat”. ‘Night O’Mine’ heeft wel iets van
dat alles in zich, maar eigenlijk is er geen uitgesproken ideale
omstandigheid die hierbij past. De plaat heeft immers de neiging
stilletjes aan alles rondom zich op te slurpen, en er een
synesthetische caleidoscoop van te maken waarin de lichtjes
tollende en zwevende luisteraar zijn eigen wereldje moet zien te
herkennen.

Vanaf de met herkenbare melodietjes doorspekte opener ‘Endless
Scheme’ tot de langzaam opgebouwde slottrack ‘Alone’ meandert
‘Night O’Mine’ een uur heen en weer tussen aardse riffs en met
patchouli doordrenkte sferen. Heel erg belangrijk in de
totaalervaring is de toon van de instrumenten.

De gitaren klinken heel erg warm en donzig en ademen
tegelijkertijd iets mysterieus uit. De wat frêle zang heeft niets
dominants of prekerigs, maar doet je toch luisteren. De zanger
gebruikt een rustige toon die doet denken aan de voordracht van een
yogi. Bas en gitaar zijn constant aanwezig en bepalend, zonder
evenwel de aandacht op zich te vestigen. De ritmesectie verrijkt de
muziek met ritmes en texturen die echter steeds onscherp en
rudimentair blijven, zodat het afwerken volledig aan de gitaren en
de zang kan worden gelaten. Ze klinken alsof ze werden bespeeld
achter een dik tapijt, afgescheiden van de andere bandleden.

Been Obscenes tweede album is ten opzichte van het debuut een
stap vooruit qua eigenheid en durf. Niet dat dit nu zo’n gewaagd
album is, maar de groep zou zich perfect kunnen toeleggen op het
schrijven van goed in het gehoor liggende stonerrocknummer, of zich
volledig te buiten kunnen gaan aan ellenlange instrumentale jams.
De Oostenrijkers kiezen er echter voor om te pogen het beste van
die twee werelden aan elkaar te paren. Dat lukt met een redelijke
graad van voldoening, al moet je wel de tijd nemen.

Oordeel je te snel over ‘Night O’Mine’, dan schrijf je dit
waarschijnlijk af als krachteloze stonerrock. Potige riffs zijn
hier inderdaad niet zo aanwezig, maar de plaat heeft wel het
potentieel om je een aangenaam warm uurtje te bezorgen met een
loensend oog op je onderbewuste gericht. Nu ik er zo over na denk
is deze schijf uiterst geschikt om de dode tijd tussen Kerst en
Nieuwjaar zin te geven, in plaats van maar wat rond te lummelen in
je huis of dat van je (schoon)ouders.

http://www.beenobscene.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + negentien =