Primus :: Green Naugahyde

Ergens van 1990 tot 1995 vormde Primus een perfect alternatief voor wie geen voeling had met het gitaargeweld uit Seattle. Ondanks fuifknallers als "John The Fisherman", "Jerry Was A Race Car Driver" en "My Name Is Mud", was het bovendien een band die heel wat volk de wereld van de experimentele muziek in sleurde, want de band liet een bij momenten buitenaardse sound horen. Als Green Naugahyde (’groen kunstleder’) iets bewijst, dan is het wel dat niemand de leemte die gevallen was na Antipop (1999), ooit heeft kunnen invullen.

Het was een band van gimmicks. Je had de onnozele stemmetjes, het pronken met de vissport en het kleurrijke artwork. Bovendien had je een virtuoze gitarist wiens taak het vooral leek om de songs hier en daar excentriek bij te kleuren, want alles stond in het teken van de ritmesectie en dan vooral de prominente bas en het nasale gezever van Les Claypool. De band is intussen al jaren terug aan het optreden, maar het is pas door de terugkeer van Jay Lane, die al verkaste voor de opname van debuutplaat Suck On This, maar wel mee de Primussound ontworpen heeft, dat de plannen om een nieuw album op te nemen de kop opstaken.

Het zevende studioalbum laat, misschien vooral door de terugkeer van Lane, een geluid horen dat soms heel erg nauw aansluit bij de kale sound, aanpak en humor van de eerste drie albums, terwijl er hier en daar knipogen vallen die net iets te sterk zijn om enkel op toeval te berusten. Zo doet het stompende ritme van "Last Salmon Man" wel heel erg denken aan "Here Come The Bastards" van Sailing The Seas Of Cheese. Dat zal echter geen bezwaar zijn voor de gemiddelde fan, die het vroege triumviraat vermoedelijk nog steeds op een altaar plaatst.

Het trio maakt alleszins een goeie start, waarbij "Last Salmon Man" omringd wordt door het fris swingende "Hennepin Crawler", dat meteen uitpakt met die onweerstaanbare funkbeat en de gekapte gitaaraccenten van Lalonde, die rechtstreeks van Frizzly Fry komen. De gitarist krijgt hier vaak een wat (te) ondersteunende rol, maar als hij dan nog eens uitpakt met gitaarwerk tussen Joe Satriani (een ex-leraar) en Buckethead, dan krijg je die unieke stijl, die wel verwantschappen vertoont met pakweg Zappa en Nomeansno, maar volstrekt uniek blijft in z’n cartooneske onvoorspelbaarheid. En amper te geloven dat Lalonde ooit nog deathmetalgeschiedenis schreef met Possessed.

"Eternal Consumption Engine" laat dan weer de op hol geslagen kermis horen, met polkaritmes en Muppetstemmetjes. Idem voor "Tragedy’s A’Comin’’ (vintage Primus) en scharniersong "Jilly’s On Smack", drijvend op een zingende bas en een onheilspellende sfeertje. Het is een van de songs, net als het lomper beukende "HOINFODAMAN", dat vooral in live context iets moet opleveren. Het is ook daar dat de mindere stukken misschien best tot hun recht komen, want hoe verdomd cool "Moron TV" en "Extinction Burst" ook mogen klinken, veel hebben ze eigenlijk niet om het lijf.

Dat is misschien ook het aloude pijnpunt, en daardoor ook naast de kwestie. Primus klinkt zo uniek, eclectisch en eigenzinnig dat de drie zelfs geen songs nodig hebben om ergens mee weg te geraken. Naar goede gewoonte zou een overtollig kwartier wegsnijden een betere plaat opleveren, al zou je dan een klassiek voorbeeld van missing the point hebben. Primus had nooit iets met consistentie, maar met een surreëel Zottenfeest. Wat dat betreft is Green Naugahyde meer dan voldoende om te verwachtingen in te lossen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 13 =