The Black Keys :: El Camino

Nonesuch Records, 2011
Warner Music

Er van uitgaande dat het merendeel van de ers geen
uitgesproken kennis heeft van klassieke automodellen, zal u
waarschijnlijk niet meteen opmerken dat de vuilwitte minivan op de
cover van de nieuwe plaat van The Black Keys eigenlijk geen
Chevrolet El Camino is. Het voortuig in kwestie is immers het
krakende gevaarte waarmee het tweetal uit Ohio tienduizenden
kilometers aflegde in het prille begin van hun muzikale carrière,
hongerig op zoek naar naam en faam in hun thuisland. Dat is
ondertussen grofweg een decennium geleden, en dat er sinds die tijd
veel veranderd is voor de Keys, zal wellicht niemand ontgaan
zijn.

Vorig jaar brak de band eindelijk door bij het grote publiek met
het alom bejubelde ‘Brothers‘, dat maar
liefst drie Grammy’s in de wacht sleepte, alsook een MTV-award
(moest dat laatste tegenwoordig nog iets meer betekenen en aantonen
hoe groot ze ineens geworden zijn). Ook deze ‘El Camino’ is
voorbestemd om hun status van één van de beste rockbands der aarde
verder te laten groeien.

Maar terug naar de titel. Het gaat hier dus niet over een
seventies pimpmobiel. Wellicht wordt gedoeld op de Spaanse
vertaling voor “de weg”. Meer zelfs, want eigenlijk hebben we hier
te maken met een groep die zich symbolisch bevindt op de splitsing
van twee wegen: de ene is the road to fame, lopende van de
muffige kelder van Carney, waar hun debuut ‘The Big Come Up’ werd
opgenomen met een 8-track tape recorder, tot Auerbach’s eigen
high-tech studio in Nashville; de andere de muzikale
highway die de grauwste erfenis van de Mississippidelta
verbindt met gestroomlijnde, catchy garagerock.

Zeggen dat de bluesrockers met deze nieuwe telg hun roots hebben
verloochend, zou ongetwijfeld een hyperbool zijn, maar niemand zal
nu eenmaal kunnen ontkennen dat deze plaat de meest
popgeoriënteerde richting toont die de groep tot nu toe al heeft
ingeslagen. Niet dat dit een slechte zaak is: Auerbach soleerde
nooit eerder zo gefocust, Carney bereikt nieuwe hoogtes in het
gevoelloos slaan van zijn drums. De Keys klonken zelden zo strak en
aanstekelijk, wat deels te danken is aan de intrede van groovy
baslijnen, die bij momenten zelfs zo prominent zijn dat ze de
gitaar naar de achtergrond verdringen (‘Run Right Back’), maar geen
seconde de zweep van het tempo lossen (‘Gold on the Ceiling’). De
strakke en aanstekelijke sound is echter vooral een resultaat van
het sublieme mixwerk van producer Danger Mouse: voor de derde keer
sinds ‘Attack and
Release
‘ van dienst aan de knoppen, maar ditmaal ongezien
creatief met kleine poppy hooks en multitracks.
Luister maar naar de krachtige nanaah’s en ohohohoh’s, de volle
vrouwelijke backingvocals en die hintjes van xylofoon(!) in ‘Dead
and Gone’.

Combineer dit met het straightforward-gevoel van The
Clash en The Cramps, de op de heupen werkende boogie van T-rex en
een flinke scheut fiftiesflavor (vooral dan in Nova
‘Nova’): het resultaat is een bijna walgelijk catchy poprockgroove
waarmee de groep haar typische rauwe, vuile en overdonderende
bluesrock laat versmelten: hoor hoe the Black Keys meer dan ooit
klinken als een veelkoppige band in plaats van als een eenvoudig
duo van drum en zes snaren. Maar dat wil niet zeggen dat ze af en
toe niet meer teruggrijpen naar hun “traditionele” geluid: ‘Money
Maker’ is een ode aan hun op een vettige riff voortdrijvende
meestampers, terwijl Dan Auerbach in de akoestische
fingerpickingsong ‘Little Black Submarines’ (misschien wel
het beste nummer van de plaat – en de concurrentie is hard) met
bijna smekende stem zijn gebroken hart op onze schoot werpt,
alvorens een wervelende orkaan van gitaar en drumgebeuk losbarst
tot een spectaculaire climax. Niet dat teksten vol liefdesverdriet
ineens voorbehouden zijn voor aanvankelijk rustige nummers, zelfs
de o zo vrolijk klinkende single ‘Lonely Boy’ bevat regels als ‘So
you pulled my heart out/ And I don’t mind bleeding’.

Is dit nu een laattijdige kandidaat voor de eindejaarslijstjes?
Een voorzichtige ja. Danger Mouse durft soms een beetje overijverig
worden met synths en keyboards, waardoor lange open maten die
vroegere songs als ‘Grown so ugly’ of ‘Your touch’ typeerden nu
ineens zo goed als onbestaande zijn, en het nummer ‘Sister’ is met
dat bijna disco-achtige sfeertje eentje die we liever niet hadden
gehoord. Maar eigenlijk is het enige échte betreurenswaardige feit
dat The Black Keys zich anno 2004 – tijdens het fantastische
‘Rubber Factory’ – niet hebben laten klonen, zodat we vandaag zowel
van het nieuwe als van het oude duo konden genieten.

Maar genoeg nostalgisch gemijmer, laten we gewoon concluderen
dat The Black Keys al een decennium lang ijzersterke muziek maken:
diep vanbinnen zullen Dan Auerbach en Patrick Carney twee
gereïncarneerde katoenplukkers blijven, maar verder bouwend op het
succes van voorganger ‘Brothers’, hebben ze met hun meer
gestroomlijnde geluid alle potentieel om verder te groeien tot één
van de succesvolste bands in de rock ‘n roll. Om te eindigen waar
we begonnen zijn: el camino ligt nu volledig open voor the Black
Keys!

http://www.theblackkeys.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − zes =