Kenny Werner & the Brussels Jazz Orchestra :: Institute of Higher Learning

Half Note, 2011
Rough Trade

De keuze van Kenny Werner om een album op te nemen met het
Brussels Jazz Orchestra is geen plotselinge en onberedeneerde daad.
‘Insititute of Higher Learning’, de vrucht van hun recente
samenwerking, is ook niet de eerste keer dat de pianist en het
orkest samen musiceren. In 2002 verscheen al het album ‘Naked in
the Cosmos’ opgenomen in Studio Toots, gelegen in onze hoofdstad.
Het Brussels Jazz Orchestra was toen ook van de partij.

Van waar die bijzondere band tussen Kenny Werner en Brussel?
Enerzijds kan de oorsprong gezocht worden in de lijst van
collaboraties tussen de Belgische harmonicaspeler Toots Thielemans
en de Amerikaanse pianist, die ongetwijfeld voor een vorm van
affiniteit met België en Brussel hebben gezorgd. Een tiental jaar
terug schreven ze samen een album en afgelopen zomer stonden ze
allebei op de planken tijdens de openingsdag van Jazz Middelheim.
Anderzijds heeft het ongetwijfeld ook te maken met Werners
voorliefde voor bigband en grote orkesten. Zijn emotionele
treurzang ‘No
Beginning No End
‘ van vorig jaar liet zich bijvoorbeeld ook
kenmerken door een breed instrumentarium. Het Brussels Jazz
Orchestra kan gezien worden als een uitlaatklep voor Werners
zielenroerselen.

De titel ‘Institute of Higher Learning’ verraadt een zekere
academische en pedagogische ondertoon, maar kan vooral opgevat
worden als Werners emotionele ode aan de grote bigbandmuzikanten
van de vorige eeuw, zoals Duke Ellington, Count
Basie, Thad Jones en Gil Evans. Grote namen om mee te wedijveren,
al slagen Kenny Werner en het Brussels Jazz Orchestra erin om niet
enkel nostalgie op te wekken en kiezen ze vooral voor een
eigentijdse benadering van het bigbandconcept.

‘Institute of Higher Learning’ is opgedeeld in twee grote
brokken muziek. Het eerste deel bevat een drieledige compositie
getiteld ‘Cantabile’, wat in de muziektheorie meestal verwijst naar
een zangerige speelstijl op de instrumenten (met het doel een
zangstem te imiteren). Werner kiest in het tweede deel voor een
meer vertrouwde aanpak, met zowel oude als nieuwe composities.

Werners muziek heeft door de jaren heen een eigen vorm
ontwikkeld, meer bepaald omdat ze doordrenkt is van emotie en
gevoeligheid. Zijn pianogeluid tijdens ‘Cantabile: First Movement’
werkt in eerste instantie verstillend, maar doet zich kenmerken
door een grote organische kracht en een factor van
onvoorspelbaarheid. Het is pas dan dat de kracht van het Brussels
Jazz Orchestra zich volledig ontplooit – waarover later meer. De
pianist speelt in zijn composities graag met contrasten, en
varieert veelvuldig tussen melodie, ritme en klanksterkte.
Luisteraars die voor het eerst kennismaken met het werk van Werner,
staat op dat vlak een kleine openbaring te wachten.

Op vlak van variatie en inhoudelijke motieven wijkt Kenny Werner
met zijn composities sterk af van de klassieke grootheden. Het
gebruik van dissonanten en de expressie van plotse omwentelingen
suggereren een veel breder register dan de traditionele
bop-conventies die doorgaans gehanteerd worden. Op die manier
klinkt Werner een pak eigentijdser, zonder echt die classic
style
helemaal overboord te gooien (de blazerssecties bevatten
ontegensprekelijk nog steeds de nostalgische charme van
weleer).

Het brede register en de eigentijdse aanpak schetsen zich
waarschijnlijk het best in een totale omkering van ‘House of the
Rising Sun’, een Amerikaanse folkklassieker die vooral is
gepopulariseerd in de versie van The Animals. Luisteraars vertrouwd
met die versie zullen zich waarschijnlijk afvragen of er nog enig
raakvlak met het origineel is overgebleven. Werner heeft de
compositie met een beklemmend gevoel geïnjecteerd en zet daarmee
het publiek bij aanvang op het verkeerde been. Een indringende
geluidservaring, en een krachtige samensmelting van instrumenten
die de compositorische kunde van Werner alle eer aandoen.

De sterkte van ‘Institute of Higher Learning’ is terug te vinden
in de ogenblikken waar alle instrumenten in stelling worden
gebracht en Werner met zijn piano de touwtjes strak in handen
neemt. In dat klassieke samenspel, dat sterk vertegenwoordigd is op
het album, wordt de luisteraar gegrepen door een intense en
allesomvattende luisterervaring. Vooral in de traditioneler
aandoende composities zoals ‘Compensation’ en ‘Institute of Higher
Learning’ (waar Werner boven zichzelf uitstijgt) is dat treffend
verwerkelijkt.

Waar het album gedeeltelijk tekort schiet, is het feit dat de
bruisende energie van het samenspel niet overal even goed in de
verf wordt gezet. ‘Cantabile: Second Movement’ voelt bijvoorbeeld
iets te sober aan en de ballade-uitvoering weet niet volledig te
overtuigen. Werner heeft zich in vergelijking met ‘No Beginning No
End’ minder ver gewaagd op vlak van thematiek en experiment – een
keuze die ook enigszins te begrijpen valt.

Het Brussels Jazz Orchestra laat ten slotte ook een zeer
degelijke indruk na, waaruit blijkt dat ze het werk van Werner in
alle opzichten zo goed mogelijk ondersteunen – en tevens
verantwoordelijk zijn voor het tegenwerk in de energieke
onderdelen. Een aantal solo-muzikanten hebben deze recensent ook
aangenaam verrast, waaronder Peter Hertmans (gitaarsolo ‘First
Movement’) en Bo Van der Werf (een pittige saxsolo op ‘House of the
Rising Sun’). In ieder geval zijn hiermee nogmaals het
internationale niveau en de uitstraling van het orkest
bevestigd.

‘Institute of Higher Learning’ is aldus een geslaagde poging om
orkestmuziek als genre binnen de jazz opnieuw op de kaart te
zetten. Bij Kenny Werner is na het ‘weg-schrijven’ van zijn
gevoelens op ‘No Beginning No End’ duidelijk een periode van
hernieuwde inspiratie aangebroken. In dat opzicht is de
samenwerking met het Brussels Jazz Orchestra ook een interessante
en toegankelijke introductie tot zijn emotioneel doordrongen
muziek.

http://kennywernerlive.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 1 =