DOSSIER BRITPOP: ”Animal Nitrate” :: Suede redt de Britse rock, maar krijgt plots twijfels

En toen werd het 1992, en was het feestje gedaan. Madchester, dat collectief Brits delirium waarmee de eighties werden uitgewuifd, was met een kater geëindigd, en de verdomde Yankees hadden hun kans gezien om alle aandacht naar zich toe te trekken. Lang zou dat niet duren: met de hoofdpijn en de bloeddoorlopen ogen van het feestbeest op maandagochtend ontstond al snel nieuw Brits leven. Suede maakte van de kater meteen een triomfantelijk feestje.

Het was nochtans een stevige party geweest. Vier jaar lang was Manchester de navel van de Britse eilanden; zwevend tussen de dansrock van The Stone Roses en de beats van 808 State was een generatie zo loos gegaan op XTC en een mengeling van luie breakbeats en psychedelische gitaren, dat ze er in 1989 een “Second Summer Of Love” aan overhielden. Maar zoals elk feestje eindigde ook dit niet met een knal, maar bloedde het gewoon dood: The Stone Roses mochten door een gerechtelijke twist met hun label geen tweede plaat maken, The Happy Mondays verloren zichzelf volledig in drugs. En de rest? Ach, die was altijd al van ondergeschikt belang, en verdween uit het publieke oog van zodra de vaandeldragers van het genre dat ook deden. Het was eindelijk ochtend geworden, het zonlicht was pijnlijk scherp en de hoofdpijn nauwelijks te harden: Groot-Brittannië had een kater, en ze heette grunge.

In de schaduw van dat nieuwe Amerikaans gitaargeweld likte Albion zijn wonden, en in de schaduw van die schaduw zaten Brett Anderson en Bernard Butler, vastbesloten het ook te maken. Maar baggy stond hen niet; niet in kleding, en niet in geluid. Butlers gitaargeluid was te virtuoos — teveel Johnny Marr, te weinig funk –, Anderson was niet geknipt voor de rol van trippende frontman, en het duurde even voor ze dat wilden doorkrijgen. En dus werden er vlug te vergeten voorprogramma’s voor Blur gespeeld, mét een drumcomputer en Justine Frischman — twee slechte ideeën die ze snel daarna zouden kwijtraken –, en werden er songs als “Art” en “Be My God” geschreven, die ongeïnspireerd leunden op wat voor hen was gekomen. En even bijgevolg gebeurde er dus hoegenaamd niets.

Of net wel, natuurlijk: Frischman werd verliefd op Blurfrontman Damon Albarn en uiteindelijk de groep uitgezet, met de homoseksuele Simon Gilbert werd een drummer gevonden, en langzamerhand vond Suede een eigen stem: intelligent, sensueel, en meer dan een tikje donker. “Het is moeilijk uit te leggen hoe bijzonder en uniek het toen precies voelde om in Suede te zitten”, zegt Anderson daarover in biografie Love And Poison; “er was geen scene waar we deel van konden uitmaken, en geen gang, behalve die van onszelf, om lid van te zijn. Het voelde alsof we schreven op een schone, blanke pagina.”

Braakland

Misschien was dat wel een godsgeschenk voor een jonge band als Suede. Nadat Madchester was opgebrand, strekte zich een braakland uit, waarop het fijn bouwen was. Grunge lag ver genoeg van de harten en hoofden van deze jonge honden om geen indruk te maken, dus was er geen schaduw die zijn duisternis over hen wierp. Terwijl de wereld even de andere kant opkeek, kon alles opnieuw. Suede kon op zijn gemak zoeken wat het nu precies wilde vertellen; iets dat neerkwam op een cocktail van sex, drama en drugs, zo bleek (en het leed van aan pillen verslaafde huisvrouwen. Dat ook, natuurlijk).

Anderson had het feest eind jaren tachtig immers ook beleefd, maar had daar ook de meer groezelige kanten van gezien: drugs en ranzige seks, maar ook morsige romantiek. En daar zou hij over schrijven. Geen hedonistisch feestverhaal — al zou hij zijn hand nooit omdraaien voor een drugverwijzing meer of minder — maar rake portretten van echte feestvierders, zoals hij er genoeg had gadegeslagen, en hij er zelf ook een was: een tikje lowlife, maar glamoureus in het diepst van de eigen gedachten.

Waar Madchester dommig feestgedrag in beats vertaalde, pareerde Suede met intelligentie en persoonlijkheid. Waar shoegaze en baggy over geluid en sfeer gingen, antwoordde Anderson met een seksualiteit, directheid en branie die recht uit de glamrock was afgekeken. Op hun debuut wisten de groepsleden de zin voor drama van David Bowie met de indiefeel van The Smiths te verzoenen en dat te koppelen aan de drive van The Sex Pistols en het hedonisme van The Stone Roses. Na jarenlang enkel het geneuzel van Shaun Ryder en Ian Brown te hebben doorstaan, werd Groot-Britannië eindelijk opnieuw geconfronteerd met iemand die zich met recht en reden een zanger mocht noemen: uniek, uitgesproken en vol persoonlijkheid.

Anderson was geen Morrissey of Bowie, maar had beide invloeden verwerkt tot iets volstrekt unieks. Hij zong over drugmisbruik en ruwe seks, zonder plat te worden of te verheerlijken. Hij toonde de katers even hard als de highs, maar deed ook geen moeite om te moraliseren. Glamoureus? “De enige link tussen Suede en glamour is er in die zin dat ik mensen altijd heb willen vertellen dat hun levens bijzonder kunnen zijn, ondanks hun levensomstandigheden. Suede heeft er altijd al om gedraaid je leven te leven alsof het een stuk cinema was; een zekere zin voor fantasie, een stukje hedonisme, wat verbeelding. Het gaat me alleen om echte mensen die zichzelf als iets speciaals aanvaarden”, liet Anderson opteken in dat verband.

Twee strofes, twee refreinen

Suede was een steekvlam die door het Britse rocklandschap schoot. Nog voor hun debuut was ingeblikt, figureerde Anderson op de cover van Select tegen een achtergrond van Union Jack. Dik tegen zijn zin, overigens; die vlag werd pas na de shoot toegevoegd. En eigenlijk was het niet eens de bedoeling dat het gevraagde interview een coververhaal zou worden. Maar zo gaat dat als journalisten op zoek zijn naar een goed verhaal, ze de muziek uit de Verenigde Staten beu zijn, en een vage opwinding bespeuren, ergens bij hun vrienden in een bar in Camden. En dus was Suede plots “The Best New Band In Brittain”.

Misschien vatte latere gitarist Richard Oakes — hij zou Butler vanaf 1994 vervangen — het nog het beste samen: “Ik denk niet dat we pioniers waren. Heel dat Britpopgedoe begon voor ik erbij kwam, maar ik kon tijdens die eerste jaren van buitenaf zien hoe Suede een groep was die het publiek opnieuw leerde hoe een song moest geschreven worden. Er waren in dat begin van de jaren negentig geen gitaarbands die iets opwindends deden. Ze verborgen zich achter hun effectenpedalen, en trokken zich niets aan van songstructuren of hoe een nummer van drie minuten iemands leven kan veranderen als het echt goed is. Suede leerde mensen dat je geen tien minuten onzin moet spelen om je punt te maken; je kunt het in twee strofes, twee refreinen en een brugje of zo.”

En dus werd Suede in Groot-Brittannië het snelst verkopend debuut aller tijden. Het zoog eigenhandig het epicentrum van de Britse rock een paar honderd kilometer zuidwaarts, van Manchester naar Londen. En toen was het uit hun handen, en zagen de groepsleden met lede ogen aan welk beest ze wakker hadden gemaakt.

Het Britpoptijdperk was begonnen, met een flinke brok boertig laddism als resultaat. Ja, Suede had de Britse rock gered, maar zo had het zich nooit voorgesteld. “For me, our initial vision of what became called Britpop was like a Mike Leigh film. Bands like Chas and Dave (Andersons koosnaampje voor Blur, mvs) and all that lot turned it into a Carry On film”; alweer Anderson in Love And Poison. Voor Dog Man Star, het tweede album dat in een storm van ruzies met Butler werd opgenomen, werd dus een andere richting gekozen: richting musical, orkestrale grandeur, en een cultstatus.

“Het is me aangeboden, die rol van vlagwapperende Brit die zong over corduroy broeken en fish and chips en zo,” herinnerde Anderson later, “maar dat trok me nooit aan. Het ging me niet om een koesteren van de Britse cultuur. Als het al iets was, dan was het er net een kritiek op. Ik ben geen bevoorrecht lid van de middelklasse die zich arm voordeed.” Britpop; het kon hem aan de reet roesten, en toch zou de naam Suede onlosmakelijk met het tijdperk verbonden blijven. Hoe zong Morrissey dat bij The Smiths ook weer? ” I started something/And now I’m not too sure”?

Suede bracht deze maand zijn vijf studio-albums opnieuw uit in uitgebreide reïssueversies. Wij raden u die van Suede en Dog Man Star van harte aan. De rest koopt u op eigen risico.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − een =