Smith Westerns :: 13 april 2011, Botanique

Omdat dat zomaar kan, pakt het stel twintigers dat zich onder de noemer Smith Westerns verenigt op zijn tweede plaat Dye It Blonde uit met een geluid dat de sfeer van olifantenpijpen en patchouli oproept. Dat dat echter verre van een nostalgisch geurtje hoeft te verspreiden, bewees woensdagavond een veelbelovend concert in de Rotonde van de Botanique.

Een axioma uit het grote tourhandboek: wie op één dag van Berlijn naar Brussel wil rijden, zal file op zijn weg ontmoeten. Het is dan ook met uren vertraging dat Smith Westerns om half negen eindelijk halsoverkop de Botanique binnenstuiteren. Zonder soundcheck worden de jonge groepsleden — ze zijn nauwelijks twintig — drie kwartier later meteen het podium opgejaagd. Geen wonder dus dat het geluid dat de tot vijftal aangedikte groep produceert aanvankelijk negens naar lijkt.

Nu baden de songs van Smith Westerns sowieso altijd al in een lichte waas, maar live blijkt dat nog meer zo te zijn. Aanvankelijk is het dan ook wat zoeken naar de songs in de soep. Gaandeweg vindt de geluidsman echter de juiste knoppen en wordt het beeld scherper. Dan blijkt de groep rond de graatmagere broertjes Cullen en Cameron Omori potentieel de beste popgroep van het komende festivalseizoen te zijn, maar dan wordt het tijd dat ze dat ook zelf gaan beseffen.

De groep heeft immers van de knapste popsongs van het moment in de zak van hun skinny jeans zitten. “Weekend” , bijvoorbeeld, een glimlachend vieren van de jonge liefde; “weekends are never fun, unless you’re around here too”. Dat de groep dat doet met een gitaarklank die al te lang niet meer is gehoord — Marc Bolan zou trots op hen zijn — maakt dat alleen maar aangenamer.

Het mag dan allemaal wel heel hard doen denken aan wat in de jaren zeventig al eens is gebeurd, als dat middels een glamstampertje als “End Of The Night” (sleuteltekst: “Everybody wants to be a star on a Saturday night”) is, dan mág dat. En vreesden we vooraf op basis van een rammelend debuut vol garagerock dat Smith Westerns het gladdere geluid van Dye It Blonde live niet zouden kunnen waarmaken, dan mogen we opgelucht ademhalen: de groep beheerst zijn instrumenten voldoende om niet te ontgoochelen.

Met “All Die Young” heeft de groep de Rotonde helemaal beet. Dit is van bij het begin feest. Al is het van de eerder wazige ik-heb-een-joint-gerookt soort. Meteen erna volgt “Smile”, de andere uitschieter van het recente debuut, en ook live is het van het betere werk. De gitaarsolo is er eentje om de luchtgitaar boven te halen, de finale explosie met zijn “ooooh”‘s is om van te smullen. Als de groep groot genoeg wordt om ooit de grotere festivalpodia te mogen beklimmen, wordt dit hun fijnste moment.

Lang laten de jonge muzikanten op zich wachten vooraleer er toch één bisnummer van af kan. ‘Bedankt”, mompelt de Bernard Butler-lookalike Cullen Omori, vooraleer drie gitaren “Dye The World” van enige epische kracht voorzien. Het is een mooi orgelpunt aan drie kwartier bewijs dat het een mooie zomer wordt. Met wat geluk mogen Smith Westerns dat op Pukkelpop nog even benadrukken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + twaalf =