JustJAZZIt :: 25 februari 2011, Beursschouwburg

Voor de derde keer organiseert de Brusselse Beursschouwburg een van de boeiendste winterfestivals, vooral voor zij die buiten cocktailwateren hun ding zoeken. Dat er vooralsnog geen sleet op de formule zit, werd met verve bewezen door de twee concerten op deze derde festivaldag.

Bassiste Hélène Labarrière mocht het een dag eerder al komen doen met haar kwartet. Dat ze twee keer mag opdraven — in het jaarlijks terugkerende duet van een Belg en een buitenlander — zegt meer dan voldoende over haar groeiende status. Aan karaktervolle Franse bassisten sowieso geen gebrek (denk aan Henri Texier of Joëlle Léandre), maar ook Labarrière is een opmerkelijk figuur aan de grote houten kast. Zelden zo donker en kregelig als Léandre, de furie van de Franse avant-garde, maar toch ook met een erg levendige, alle genrebeperkingen aan z’n laars lappende stijl, die invloeden uit jazz en avant-garde integreert in een stoofpotje waarin lyriek, experiment en humor vertegenwoordigd worden.

De Belgische muzikant waarmee ze samenwerkte was tuba- en trombonespeler Michel Massot, die de muziek met een vergelijkbare attitude tegemoet trad. Hoewel hij in staat is om uit z’n euphonium en tuba flukse hoempapa te persen als verrassend fijnzinnige schoonheid, stond deze wisselwerking vooral in het teken van de alternatieve speeltechnieken. Massot stak z’n voorarm in de beker van het instrument, gebruikte hulpstukken om te dempen en te manipuleren, werkte op allerlei manieren met ademhaling en luchtverplaatsing (wat soms heel leuke effecten had door de aparte akoestiek van de zaal) en ging zelfs met z’n beker tegen de vloer van het podium om pruttelende en grommende geluiden te creëren.

De wisselwerking tussen beide artiesten zat spontaan, waarbij ze elkaar nooit voor de voeten liepen. Er waren momenten van gezamenlijke uitspattingen (en daarbij was het mooi om Labarrière de strijkstok te zien gebruiken als een drumstok of zweepje), maar doorgaans was het een heen en weer kaatsen van solomomenten. De ene werkte aan een repetitieve achtergrond terwijl de andere zich kon laten gaan in de meest uiteenlopende stijlen. De muzikanten hadden duidelijk respect voor elkaar (je voelde de waardering van het podium gloeien), wat zorgde voor afwisseling, verborgen momenten van poëzie en gegrinnik. Zonder ook maar een keer te vervallen in aanstellerij of oppervlakkigheid bewezen Labarrière en Massot dat taaie, geïmproviseerde muziek avontuur ook aan een zekere luchtigheid kan koppelen.

Heel andere koek met Dave King’s Trucking Company, de band rond de drummer van o.a. The Bad Plus en Buffalo Collision, die z’n Europese debuut maakte op de Brusselse planken. Deze vijfkoppige band met naast King nog Adam Linz (bas), Erik Fratzke (gitaar), Brandon Wozniak en Chris Speed (beide tenorsax) heeft nog geen album uit, dus het was een beetje afwachten wat dit zou worden. De toegankelijkheid lag alleszins dichter bij die van The Bad Plus dan het veel obscuurder Buffalo Collision. DKTC speelde een bij momenten bijzonder aanstekelijke en goedgemutste set, toegankelijke jazz met een hoge pop/soul-factor, die desondanks toch ook liefhebbers van de meer experimentele stuff geboeid moet hebben, omdat het gebeurde op een indrukwekkend enthousiaste manier.

De eerste paar nummers deden meteen denken aan de recente plaat van Chris Lightcaps Bigmouth: er was niet alleen dat naadloos samenvloeien van bevlogen jazz en soulelementen, maar ook met die twee tenorsaxen die langs, tegen en over elkaar vloeiden kreeg je een vergelijkbaar effect. Het is dan ook geen verrassing dat saxofonist Chris Speed deel uitmaakt van beide bands. Het werd echter nooit een kijk-eens-wie-de-leider-is-voorstelling. De strakke composities boden voldoende ruimte aan elke muzikant om herhaaldelijk uit te blinken, wat elk dan ook op zijn manier deed. Gitarist Fratzke is duidelijk de man met de rockachtergrond (hij speelt ook in doommetalband Zebulon Pike): z’n hoekige attack lag soms in de lijn van Marc Ribots spel, hier en daar neigde hij naar het speels-chaotische van een Billy Jenkins, terwijl hij in het afsluitende nummer eigenlijk Ramonesakkoorden zat te rammen.

Het contrast tussen Wozniak en Speed kon bij momenten amper groter zijn. Is de ene een bevlogen solist van de hardbopschool, met vingervlugge, vloeiende solo’s die toonladders op en af razen, dan is de ander een meer eigenzinnig stilist en de man van de onderbroken ideeënreeks. Het duurder bijna drie kwartier voor Speed z’n eerste echte solomoment kreeg, maar dat was dan wel een hoogtepunt. Zo waren er in overvloed: in het derde nummer liet King horen wat een onwaarschijnlijke groove-specialist hij is; heel even leek het alsof de geest van Al Jackson op het podium rondwaarde. Al even opvallend (in alle betekenissen): bassist Adam Linz, die zowel erg potige ondersteuning bood als een paar keer liet horen een indrukwekkende dichter op de bas te zijn. Al z’n interventies, met voorop de waanzinnig mooie bassolo die een van de laatste nummers opende, waren opmerkelijk en meeslepend. De overgave waarmee hij de liefde bedreef met z’n bas was dat ook.

De composities zaten doorgaans eenvoudig in elkaar en draaiden vaak rond ultracatchy thema’s die door sax en gitaar samen gespeeld werden. King hield het soms bij simpele grooves, maar liet z’n drumkit ook regelmatig zingen en dansen, terwijl zijn solomoment eveneens straf was. Vijf muzikanten met een eigen stijl en geluid: samengebundeld zorgde het voor een erg frisse, fraaie sound. Het spelplezier droop ervan af, de interventies van King waren frequent hilarisch en heel even leek het alsof de festivalzomer al begonnen was. We hebben meer van dit soort bands nodig, want zij kunnen de jazz een nieuw en jonger publiek bezorgen door uit te pakken met die energie en aanstekelijkheid en door aan te tonen dat er veel meer aan de hand kan zijn dan in kringetjes draaiend geneuzel. Dit was er eentje die ervoor zorgde dat je met een brede grijns naar buiten stapte.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 2 =