DIT WAS 2010 :: Laura Marling :: ”Liefde is helemaal niet betoverend”

De hele maand december blikt goddeau.com terug op het afgelopen jaar met de interviewreeks DIT WAS 2010. Daarin laten we artiesten aan het woord die het jaar maakten of wiens plaat onterecht onopgemerkt de vergetelheid indook.

Like a rollercoaster, zo beschrijft singer-songwriter Laura Marling het afgelopen jaar, maar die beschrijving geldt evengoed voor haar prille carrière. Nog maar net van de schoolbanken af en ze mag al met Mercury Prize-nominaties voor haar beide albums pronken. Samen met een op stapel staand project met Jack White, steeds grotere, uitverkochte zalen en een eerste plaats op NME’s Cool List. Laura Marling is de ouderwetse troubadour die af en toe verloren dreigt te lopen in een postmoderne wereld, waarin ze op het eerste zicht niet thuishoort.

Alles is eenvoudig aan Laura Marling. Vooreerst haar muziek, gestoeld op de eeuwenoude gitaar-stem-slimme teksten-traditie, ingekleurd met subtiele cello op het podium en een puur functionele drum. De nederige eenvoud van een meisje dat iets wil zeggen en dat met zo weinig mogelijk omwegen wenst te doen. Zonder zich zorgen te maken om haar looks — ooit weigerde ze studiomake-up bij een televisieoptreden in Later With Jools Holland, zonder de ambitie van een crowd pleaser.

Ondanks — of misschien wel dankzij — deze eenvoud plukte een grote platenfirma, EMI-dochter Virgin Records, haar van de schoolbanken. Marling was pas achttien toen ze haar debuut Alas I Cannot Swim uitbracht. Voordien zong ze bij Noah And The Whale, een vrolijke indieband, en raakte ze bevriend met muzikanten, die later Mumford & Sons zouden oprichten. “Die hechte kliek muzikantenvrienden gaf me genoeg zelfvertrouwen het zelf eens te proberen,” legt ze uit tijdens een korte ontmoeting na haar optreden op Pukkelpop dit jaar. “Het was niet meer dan logisch om hen als mijn backing band te hebben in de studio. Dat Charlie (Fink, zanger van Noah And The Whale) ook iets kende van producen was mooi meegenomen. Ik was toen helemaal nog niet klaar mijn werk aan een vreemde over te laten.”

Alas I Cannot Swim bevatte forse folknummers met kloeke teksten als “I don’t believe in a fairytale end/ I don’t keep my head up all the time / I find it dull when my heart meets my mind” in een jaar waar de Adèles, Duffy’s en Amy MacDonalds uit de grond gerezen kwamen en op een leeftijd waarop de meeste meisjes voornamelijk bezig zijn iemand aan de haak te slaan. Het album werd prompt genomineerd voor de Mercury Prize: “Een snelle en onverwachte erkenning. Ik moest niks weten van al dat award-gedoe, maar was oprecht opgetogen dat Elbow won.” Dat ook opvolger I Speak Because I Can voor dezelfde prijs genomineerd werd wisten we nog niet ten tijde van het interview. Het is redelijk uniek dat een artiest met twee opeenvolgende albums genomineerd wordt voor Engelands belangrijkste muziekprijs.

I Speak Because I Can verscheen twee jaar na het debuut, redelijk snel voor een opvolger. De titel geeft de vastberaden tred weer, waarmee dit album zich onmiskenbaar een weg baant op het pad der grote singer-songwriters. Court And Spark van grote voorbeeld Joni Mitchell werd vaak geciteerd door de professionele muziekpers, maar ook Dylans Blood On The Tracks verscheen geregeld in dezelfde kolommen. “Je kan er alleen maar verlegen om worden. Ik ben vereerd, maar tegelijk vergeet ik dit soort informatie ook graag meteen. Ik heb soms mijn twijfels over de oprechtheid van de muziekpers. Misschien komt het omdat ik Joni Mitchell zo vaak vernoemd heb in interviews dat ze haar plots in mij horen?” Een opmerking die enigszins van valse bescheidenheid getuigt, hoewel het inderdaad moeilijk is de vinger te leggen op het grootmeesterschap van deze plaat, hoe duidelijk aanwezig ook. De gigantische vooruitgang die Marling met dit album maakte is duizelingwekkend en zoals (pn) het zo goed in zijn recensie beschreef “degradeert haar debuut tot een meisjesplaat dat het absoluut niet was.”

“Ik weet het zelf ook niet,” laat ze schouderoplatend weten. “Ik heb de meeste muzikanten die meespeelden op Alas I Cannot Swim, opnieuw opgetrommeld. We hebben ditmaal live opgenomen, in één kamer, heel organisch. Eigenlijk gaat alle verdienste naar de groep. Zij wisten precies wat ik wilde, door zoveel tijd met me door te brengen, op en naast het podium. Ik zou eigenlijk liever onder een groepsnaam willen spelen in plaats van met mijn eigen naam, maar dat is praktisch niet haalbaar, gezien de bezetting vaak lichtjes wijzigt en de studioband niet dezelfde is in de liveopstelling. Misschien speelt het feit dat ik het aandurfde met een vreemde producer (Ethan Jones, producer van o.a. Ryan Adams, Kings Of Leon, Ray LaMontagne…) te werken ook een rol? Hij bracht alles terug naar de essentie.”

Ook is het niet kristalhelder waarover Marlings teksten gaan. Maagden, meiden, zwervers bevolken haar verhalen uit een ander tijdperk, daarbij een mysterieuze woordenschat hanterend die niet vies is van een metafoor meer of minder. Sommigen interpreteren de plaat als het antwoord op First Days Of Spring, een album van Noah And The Whale, waarin zanger Charlie Fink zijn stukgelopen relatie met Marling aan de grote klok hangt. Marling zelf reageert er afgemeten, bijna zuur op: “Ik was achttien jaar toen ik het uitmaakte, in godsnaam. Achttien, wat weet je op die leeftijd van de liefde? Ik heb de plaat gehoord, Charlie was zo hoffelijk hem op te sturen, en ik was geschokt. Maar ik begrijp wel dat hij het van zich af wilde schrijven.” Liefde en relaties blijven thema’s die ze, zoals op haar debuut, met voorzichtigheid en onwil eraan toe te geven behandelt: “A friend of mine says it’s good to hear / That you believe in love even if said in fear / Well I’ll hold you there, brother, and set you straight / I only believe true love is frail and willing to break” zegt ze bijvoorbeeld in “Goodbye England (Covered In Snow). “Ik heb een fatalistische kijk op de liefde, dat klopt. Of misschien is “erg rationeel” positiever uitgedrukt. (lacht) Liefde is een kunst, iets waaraan je moet werken. Het is helemaal niet mythisch of betoverend. Ik schrijf niet met een einddoel of met bepaalde thema’s in gedachte. Ik wacht af wat er uit komt. Ik hou in de eerste plaats van taal, van zinsconstructies, metaforen. En eerlijk gezegd hou ik er wel van om wat verwarring te zaaien, dat men bij de teksten stilstaat en ze probeert te analyseren. Maar het gaat wel vaak over relaties tussen mensen, op verschillende niveaus, dus het gaat niet exclusief over romantische liefde.”

Marling groeide samen met haar drie zussen op in een boerderij in Reading. “Mijn pa had er een studio. Van hem leerde ik Neil Young en Joni Mitchell kennen.” De cover die ze live van Young brengt, “The Needle And The Damage Done”, werd recentelijk in de studio onder handen genomen door Jack White. De opname verschijnt begin volgend jaar als single op diens Third Man Records, met als b-kantje “Blues Run The Game”, oorspronkelijk van Jackson C. Frank. Over haar Neil Young-cover zegt ze: “Toen ik dit voor het eerst voor mijn moeder speelde, dacht ze dat ik het zelf geschreven had. (grijnst).” Naast Young en Joni Mitchell (“Massa’s Joni Mitchell heb ik beluisterd en dat doe ik nog steeds, eigenlijk”) is Nina Nastasia een wegwijzer geweest: “Ze heeft zo’n bijzondere stem en haar manier van verhalen vertellen, inspireert me.”.

Op haar zestiende trok ze op haar eentje naar Londen, waar ze al snel kennis maakte met muzikanten van Noah And The Whale, Mumford & Sons en Johnny Flynn, voor wie ze geregeld haar stem uitleende. Die vriendschappen, uitgezonderd de bittere breuk met Noah And The Whale, houden, ondanks het succes van hun respectievelijke groepen, nog steeds stand. “Ik woon zelfs met Marcus (Mumford, ondertussen haar nieuw lief) en Winston (Marshall, van Mumford & Sons) samen in Londen. In een piepklein appartementje, maar dat geeft niet, want we zijn toch bijna nooit thuis.” Of ze niet een beetje bitter lacht nu haar oude begeleidingsband het verder schopt dan zijzelf? “Neen hoor, het is hen gegund. Bovendien is dat helemaal geen verrassing. Het stond in de sterren geschreven dat ze het zouden maken. Er borrelde al van in het begin iets magisch en groots aan de oppervlakte.”

Marling mag dan veel volwassener ogen dan haar leeftijd doet vermoeden, soms blijft ze een gewoon, onzeker meisje van twintig. Zo raakte ze tijdens een concert in de Botanique zo vast in een giechelbui dat ze er haar teksten door vergat: “God ja, ik herinner me die show. Eerst had mijn celliste me aan het lachen gebracht en kon ik niet ophouden met lachen. Daarna was ik helemaal in de war, want ik besefte dat ik niet betrokken genoeg was met het publiek. Ik kwam vast te zitten in mijn hoofd. Ik zat de hele tijd te overdenken hoe ik het moest oplossen, terwijl ik op dat moment eigenlijk aan mijn teksten moest denken in plaats van aan mijn houding. Soms denk ik dat ik te lang op tournee ben. Meestal kom ik zelfzeker het podium op, maar andere keren ben ik zo bang dat ik zelfs geen beleefdheidsformules kan bedenken. Het is grappig, maar ook angstaanjagend.”

“Dit jaar was een rollercoaster,” besluit ze, “Zoveel kansen, zoveel veranderingen, zoveel optredens. Ik kon maar met moeite bijbenen.” Rust is niet meteen aan de orde, want in februari wil Marling klaar zijn met haar derde album.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 7 =