C-mine Jazz :: 13 november 2010, C-mine (Genk)

Op Dag 2 van het festival werd de terughoudendheid van de openingsdag opzij geschoven. Met niet minder dan negen concerten kreeg de bezoeker opnieuw een uiterst gevarieerde staalkaart van het hedendaagse jazzaanbod. En opnieuw werd daarbij minstens even vaak buiten als binnen de lijntjes gekleurd.

Wie alle concerten wilde meepikken (voor ons geen optie maar een must), diens uithoudingsvermogen werd danig op de proef gesteld: het tijdschema werd retestrak gehouden, de pauzes tussen de concerten zo kort dat je amper de tijd had om een frisse neus te halen of iets binnen te slurpen. Soms had dat als vervelend gevolg (vooral in de kleine zaal) dat het publiek bleef binnenstromen terwijl het concert al even aan de gang was, al wist je meteen dat gezien worden ook in Genk belangrijk is. Maar de muziek:

Met het Charlotte Haesen Quintet (foto) had het festival een perfecte opener voor zondagnamiddag gevonden, het ideale concert om de copieuze middagmaaltijd verwerkt te krijgen. Terwijl de weergoden buiten loos gingen en het indrukwekkende terrein van de festivalsite stilaan veranderde in een modderpoel, kregen Haesen en co. de zon terug in de kleine zaal. Je kan allerlei redenen bedenken waarom de jonge zangeres niks is voor de modale jazzliefhebber (ze heeft minstens even veel met pop en soul als met jazz te maken en haar teksten bleven soms steken in het typische adolescentendichten over vliegen en dromen en relaties), maar dan zou je voorbij gaan aan haar speelse aanpak en de souplesse van de hele band (en in het bijzonder de Luxemburgse drummer). Lichtvoetig, maar nergens duf of plat. Het was fris, charmant, en een beetje sexy, en met nummers als “He & She” lijkt ze klaar voor de radio.

Vervolgens mocht gastheer Marco Cirone nog eens een Genkenaar op het podium halen: gitarist Tim Finoulst, met zijn Sullivan Street Trio. Net als bij Magerman werd dit een van de meest klassieke concerten van de dag, ook al lijken de invloeden van Finoulst wat eclectischer dan wat je op basis van zijn muziek zou verwachten. De met bluesy spel afgetrapte opener was er eentje van Bill Frisell en Kenny Wheeler, terwijl het trio afsloot met een nummer uit Ornette Colemans debuutplaat: “When Will The Blues Leave”. Tussen die twee nummers kreeg je jazz voorgeschoteld die potentieel doodsaai kan zijn, maar dat niet was: Finoulst heeft doorgaans een mooie sound, soms licht als een Joe Pass, dan weer wat krachtiger en expressiever. Soms kreeg je wel het gevoel dat hij iets meer uit dat keurslijf zou willen breken, maar om een of andere reden de stap niet kan of wil wagen.

Het Prova Records label van Michel Bisceglia mocht drie van zijn acts van stal halen. Eerst was het aan het Pierre Anckaert Kwartet. Die Anckaert kreeg een sterke reputatie door zijn triowerk, maar heeft zich intussen losgewrikt van die klassieke formaten, net zoals een noemer als “jazz” tekortschiet voor zijn muziek. Stonden de heren van het Sullivan Street Trio er bij in t-shirt, dan kreeg je nu het plaatselijke Modern Jazz Quartet te zien: vier in pak gestoken heren die verfijnde jazz spelen die aansluiting lijkt te zoeken bij kamermuziek en andere minder voor de hand liggende genres. Opvallend was vooral dat Anckaert haast op geen enkel moment het laken naar zich toe trok: zijn spel was kalm en secuur, soms zelfs bedeesd, terwijl hij vooral bassist Hendrik Vanattenhoven en fluitist Stefan Bracaval het voortouw liet nemen.

Die laatste nam z’n taak trouwens erg serieus op, met enkele virtuoze fluitsolo’s, in nummers die vooral uit Anckaerts recenste Strings Attached (opgenomen met kamerorkest) kwamen. De vier speelden erg classy en ‘propere’ muziek, die geen uitstaans had met het in de zwarte roots gewortelde variant. Soms werkte het wel, al kreeg je nu en dan ook het gevoel dat je naar een zondagmiddagconcert van de Rotary Club aan het kijken was. Bovendien werkte Bracavals agressieve geklap in “Passepied” ook erg op de zenuwen. Als je ervoor kiest om zonder drummer op te treden, dan laat je dat soort toestanden best achterwege. Voor sommigen was dit ongetwijfeld een van de hoogtepunten van de dag (en het moet gezegd dat ze die flamenco wel mooi binnensmokkelden in het laatste nummer), voor ons was het nog steeds wachten op een eerste hoogtepunt.

Het Andy Middleton Quartet viel in de net niet erop-categorie. Wel opmerkelijk: pas tijdens dit tiende festivalconcert viel er een sax te horen! Waar is de tijd dat elke tweede jazzmuzikant een sax bespeelde? Het pleit natuurlijk ook voor de diversiteit binnen de jazz. Het kwartet rond Andy Middleton speelde vermoedelijk het concert dat het dichtst aansloot bij het beeld dat de gemiddelde mens van jazz heeft. De man bracht onlangs een nieuwe plaat uit (Between Worlds), waarmee hij mooi verder bouwt op de klassieke jazz van de jaren vijftig/zestig, nu eens gezwind swingend en dan weer introspectief in de ballades. Hij werd daarbij ondersteund door een prima band (met een uitstekende Dré Pallemaerts op drums), die hem een niveau hoger tilde. Middleton, die er tijdens sommige solo’s grappig bij stond (wijdbeens, als een hardrocker), deed qua sound regelmatig denken aan de vlakke sound van Coltrane, al was zijn spel veel aardser en zakelijker, terwijl de kalme nummers (“A Tangled Web” en een verbluffend “Polar Bear”) de uitschieters waren.

Het eerste Wow!-moment van de dag kwam er met Nicolas Kummert ‘Voices’, een project waarbij de jonge Brusselse saxofonist de stem centraal wil stellen binnen een smeltkroes van genres. Kummert ging daarbij in dialoog met Jacques Prévert en liet meten horen dat hokjesdenken niet aan hem besteed is. Jazz, afrobeat, soul, chanson en pop werden in de blender gegooid en het resultaat was meteen een enorm aanstekelijke, gulle en vooral ritmische start. Wilde dat op plaat soms wat ongemakkelijk aanvoelen, dan zat het hier meteen goed: “Affaires de famille” was een van de beste dingen die we te horen kregen op die twee dagen en het zag er even naar uit dat dit een spetterende marathon zou worden. Na die opzwepende start, waarbij vooral een sleutelrol weggelegd was voor de ritmesectie van Nicolas Thys (bas) en Lionel Beuvens (drums), werd echter wat kalmer vaarwater opgezocht.

De band moest het stellen zonder toetsenist Jozef Dumoulin, maar anderzijds was er wel gitarist Hervé Samb (ook al indrukwekkend bij Hamid Drake, de avond ervoor), die opnieuw de sterren van de hemel speelde met een stijl die hem door Afrika voerde in het gezelschap van Hendrix, Ulmer en Sharrock. Kummert, Thys en Samb zorgden ook voor meerstemmige zang die doorgaans goed samenging met muziek. Wel jammer: net op het moment toen je het gevoel kreeg dat de band dringend toe was aan nog een hypnotiserend stukje muziek om het tempo op te krikken, kregen de muzikanten te horen dat het er op zat, waardoor je het gevoel had dat het concert niet zo’n natuurlijke verloop had kunnen volgen. Niettemin was dit een erg geslaagd concert van een Belgisch artiest die over de grenzen heen kijkt, risico’s durft nemen en zelfs weggeraakt met het gebruiken van een muziekdoosje tijdens een Bacharachcover. Uitstekend!

Het was uitkijken naar het Londense snotneuzenbandje Portico Quartet, die onlangs imponeerde met Isla, een met moderne rock flirtende plaat die vooral opviel door de aanwezigheid van de hang drum, een zeldzaam percussie-instrument dat een heel eigen klankkleur toevoegt aan de muziek. Zoals verwacht was die hang drum prominenter tijdens dit concert. Niet enkel omdat de muzikant die het ding bespeelde (Nick Mulvey) de spreekbuis van de band was en centraal vooraan zat, maar ook omdat hij een stuk luider in de mix zat. Dat gold ook voor drummer Duncan Bellamy, waardoor de muziek iets krachtiger en minder etherisch was dan op de plaat. Zo was opener “The Visitor” meteen een pak potiger dan je zou verwachten.

Het prijsbeest “Paper Scissors Stone” werd meteen daarna prijsgegeven en werd – verrassend – het minst imponerende stuk van het concert, dat pas na een kwartier écht goed zat. Het dubbellluik “Isla”/”Line” was immers ronduit fantastisch, een hypnotiserend klankenspel waarbij repetitieve elementen op elkaar gestapeld werden, aangedreven door de puls en elektronica van Bellamy en de hangpatronen van Mulvey. Achteraf hoorde je hier en daar gemor bij de oudere garde, maar tijdens het concert hing er elektriciteit in de lucht, voelde je dat elk z’n adem zat in te houden om te luisteren naar dit bezwerend staaltje crossover. “Clipper” en “Dawn Patrol” rondden de set af met stijl. Portico Quartet gaat gebukt onder de hypestempel, maar maakte het helemaal waar met een concert waarmee extra zieltjes gewonnen werden. Het zat ineens erg goed op die tweede dag.

Bassist Dan Berglund (foto) stond in 2005 al in Genk met het Esbjörn Svensson Trio, en verzamelde voor deze keer een band rond zich onder de naam ‘Tonbruket’, waarmee hij de jazzconventies radicaal aan z’n laars lapte. En het was een vreemde sound, met drums, toetsen, (vaak gemanipuleerde) contrabas en gitaar/pedal steel. Jazz zat er zeker in, maar je kon net zo goed spreken van jamrock, psychedelica en rootsrock. Opener “Monstrous Colossus” maakte z’n naam alleszins volledig waar, als gewichtige marathon. Berglund vervormde z’n enorme bassound met een brede grijns op het gelaatr en gitarist Martin Hederos, ook bekend van The Soundtrack Of Our Lives, kon zich naar hartenlust uitleven.

De toetsenist leek een beetje een aanstellerig figuur en overduidelijk ook de minst bepalende muzikant in het gezelschap. Dan liever het grotdroge drumwerk van Andreas Werliin. Afsluiter “Track Pounder” was haast even indrukwekkend als de opener en deed eveneens regelmatig denken aan het werk van Motorpsycho, nog zo’n gezelschap waarvan je niet weet bij welke kliek je ze nu moet indelen. Een heel straf begin en een goed einde, maar daartussen zat het niet altijd even goed. Zoals dat soms gebeurt bij jammende bands leek het kwartet soms wat op de dool en kreeg je het gevoel dat ze zelf ook niet heel goed wisten waar naartoe. Niettemin was dit een concert waarmee Berglund aantoonde dat je een tweede carrière kan opstarten die niet noodzakelijk nauw aansluit bij die eerste, maar toch getuigt van een zelfde zin voor avontuur.

Candy Dulfer & Band. Tja. Voor de ene een goed geoliede, professionele, strakke, hete funkmachine; voor de ander een afgelikte, voorspelbare, saaie en chirurgisch bewerkte, gezichtsloze act. Sorry, maar na vier nummers hielden we het voor bekeken, en daar konden dat kort kleedje en die vrolijke zangeressen niks aan veranderen.

Het wachten op Gianluca Petrella en zijn ‘Cosmic Band’ duurde lang, maar wat het tienkoppige Italiaanse gezelschap liet horen, was behoorlijk indrukwekkend en ideaal om het volk de Genkse regennacht mee in te jagen. Petrella is een (nog jonge) trombonist met een fraaie staat van dienst, die zowel in de marge van de avant-garde als in het gezelschap van Grote Namen (Enrico Rava, Carla Bley, Pat Metheny) mocht opdraven. Met z’n eigen band kan hij zich volledig te buiten gaan aan spacey jazz waarbij akoestisch en elektrisch, analoog en digitaal in de clinch gaan met elkaar. Een pianist, een effecten- en laptopman, een drummer, een percussionist, een gitarist, een bassist, twee saxofonisten en een trompettist werden aangespoord om individueel, in groepjes en collectief oorden op te zoeken waar geen jazzband eerder geweest was.

Petrella wandelde daarbij voor en tussen zijn muzikanten, tactieken meegevend, opjuttend en een halt toeroepend. De wendbaarheid waarmee deze tien zich door hun tweedelige trip begaven was dan ook iets moois om te zien. Had je het ene moment het gevoel dat chaos regeerde, dan werd het hele zootje in de vingerknip bij de les geroepen en kreeg je overrompelend hechte stukken voorgeschoteld. Mooi om te zien hoe Petrella de band voortdurend liet flirten met de grenzen van vrijblijvendheid en de wanorde, maar toch de teugels mooi in handen bleef houden. Het was misschien wel het meest veeleisende en onconventionele concert van het festival, maar wel eentje waarmee zelfs jazzfans overtuigd werden die daarvoor nooit zo’n spektakel hadden mogen aanschouwen. Het was een straffe performance en, samen met de concerten van Drake & Bindu, Truffaz, Kummert en Portico Quartet een van de fraaie hoogtepunten van een fijn festival. Het is al uitkijken naar de editie van 2011.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf − 10 =