Portico Quartet :: 15 februari 2012, De Bijloke

Er was een verdacht groot en heterogeen publiek opgedaagd om het Britse Portico Quartet aan het werk te zien. Zij die rekenden op een potje swingende of classy jazz waren er alleszins aan voor de moeite. De vier herhaalden live immers het statement dat ze onlangs maakten met hun derde album: jazz is een rekbaar begrip en het kwartet bevindt zich in de uiterste regionen van het genre.

Meteen viel op hoe ingrijpend de dynamiek van de band is veranderd: wie ze twee jaar geleden aan het werk zag, kreeg een gezelschap te zien dat eigenlijk vooral die merkwaardige hang drum had om hen van een legertje generatiegenoten te onderscheiden. Dat en de vaagweg etherische saxlijnen van Jack Wylie. Bovendien was Nick Mulvey, de vorige hangspeler, ook zowat de woordvoerder van de band. Zijn vervanger, Keir Vine, vervult echter een totaal andere rol. Niet alleen is hij een stuk minder bepalend voor het groepsgeluid anno 2012, maar bij hem lijkt de hang soms wel een bijkomstigheid, een speeltje om spaarzaam te gebruiken. Tijdens enkele nummers uit Isla stond het instrument even centraal, maar was het nooit zo nadrukkelijk aanwezig als in het verleden. Verder was het ook zo dat die sound regelmatig werd geproduceerd door keyboards, maar dan eerder als textuurschakering dan als melodisch instrument.

Het epicentrum lijkt bovendien compleet verschoven naar drummer Duncan Bellamy. Dragen de vier leden allemaal op de een of andere manier elektronische elementen bij (gaande van toetsen, vervormingen en loops tot allerhande ritmische bric-à-brac), dan is Bellamy overduidelijk de kapitein van het schip geworden, voortdurend spelend met ritmes, geluiden en manipulaties. Akoestisch en elektronisch werden op geen enkel moment van elkaar gescheiden. Dat zorgde ervoor dat je daadwerkelijk een getransformeerde groep te zien kreeg, al ging het nu en dan ook wat zwaar op de hand worden, zeker als oudere nummers ook nog eens door de bleep-mangel gehaald werden.

Het begon nochtans ijzersterk, met het drieluik dat Portico Quartet opent. “Window Seat” werd gerokken tot een behoorlijk lange intro, maar “Ruins” en (vooral) “Spinner” lieten erg duidelijk horen hoe de band toch organisch wist te evolueren van een meer jazzgerichte band naar een met minimal elektronica spelende outfit. Het moet gezegd: de sound zat er al snel op en onderstreepte nog maar eens de meer gelijkwaardige rol die alle elementen speelden. Het was duidelijk dat dit in het verlengde lag van Isla. Helemaal anders verging het dan met “4069 Colours”. Is het op de recente plaat een abstracte vingeroefening, dan werd het hier uitgewerkt tot indrukwekkende proporties, vooral door Bellamy, wiens maximaal uitvergrootte basdrumslagen zorgden voor diep bonkende beats.

Na het Portico Quartet-luik nam de band ook even de tijd om in Isla te duiken. Eerst en vooral met een meer rumoeriger versie van “The Vistor”, dat door Bellamy’s voortdurende knopjesgebruik een veel nerveuzer, en misschien ook minder mooi, stuk muziek werd. “Line”, een stuk dat ze in het verleden ook al combineerden met andere composities, kreeg ook de ingrijpende elektronische invulling, maar werkte dan weer een stuk minder goed; alsof het nooit helemaal van de grond leek te komen en verloren liep in z’n al te zelfbewuste gekunsteldheid. Dan zat het beter aan het einde van de set, met een “City Of Glass”, dat net als “4069 Colours” een pak expressiever klonk dan de albumversie.

Het is duidelijk dat Portico Quartet in een overgangsfase zit. Terwijl dat tijdens de beste momenten leidde tot knappe resultaten, waren er hier en daar momenten waarin de vier zich geen blijf wisten met hun composities. Op basis van deze passage leek Wylie een wat ondergeschikte rol gekregen te hebben en Bellamy misschien een te dominante, maar de band stond er wel als een blok en leek zich in z’n sas te voelen in zijn nieuwe, zelfgeschapen omgeving.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + dertien =