Despicable Me





Scenario : Ken Daurio, Cinco Paul
Met : Steve Carrell, Jason Segel, Russell Brand, Julie Andrews,
Will Arnett e.a.

Vreemde, verontrustende en – bij wijze van statement – lichtjes
veralgemenende vaststelling: analyses van animatiefilms besteden
GEEN aandacht aan de vormelijke bijzonderheden van de films in
kwestie. Technische specificaties over de kwaliteit van de
animatie, dat wel. Te over zelfs. Maar besprekingen van
mise-en-scène, shotkeuze, kleurgebruik, ritmering of
belichting? Dat niet. We durven zelfs zeggen: nooit. En dat is
curieus. Erg curieus zelfs. Alsof het in geanimeerde taferelen niet
uitmaakt hoe de personages in het kader geplaatst worden. Alsof die
doordachte kadrering geen impact heeft op de sfeer van het verhaal.
Alsof animatiefilms niet opgebouwd worden uit een weloverwogen
afwisseling van korte en lange shots. Alsof de materiële
afwezigheid van de camera ineens ook de idee van camerabewegingen
fusilleert. Men zou bijna denken: alsof animatiefilms au
fond
geen echte films zijn. Zorgwekkende gedachte. Nochtans
zorgt het wegvallen van fysieke beperkingen er net voor dat makers
van animatiefilms zich erg bewust (moeten) zijn van hun vormelijke
keuzes en dat het eindresultaat doorgaans ook een doordachte
esthetica weerspiegelt. Niet dat animatiefilms daardoor zijn
uitgegroeid tot dé kweekvijver voor vormelijk experiment (alhoewel,
‘Wall-E’ en ‘Up’ omzeilden moedig de meeste conventies), maar het
maakt hen alleszins tot het ideale onderwerp van formele analyse.
Zo ook ‘Despicable Me’.

Maar first things first: de plot. ‘Despicable Me’
draait om Gru, ‘s werelds grootste misdadiger met ‘s werelds
vettigste, Slavische tongval (Steve Carell). Wanneer de jonge
Vector – “Direction and magnitude, baby!” – er in slaagt
de piramide van Gizeh te stelen, is het rijk van Gru uit. Daarop
beraamt de gekrenkte booswicht een masterplan dat hem terug op de
kaart moet plaatsen en, en passant, de trots van zijn
koele moeder (Julie Andrews) moet opleveren: hij wil – pun
alert
– de maan verdonkeremanen. Om die verduistering te
vergemakkelijken heeft hij echter de Shrink Ray nodig, een
toestel dat na een heuse odyssee in handen is gevallen van
diezelfde dekselse Vector. Gru ontdekt echter de achilleshiel van
de overmoedige fils à papa (Vectors vader is directeur van
The Bank of Evil – Formerly Lehman Brothers): koekjes!
Vermomd als tandarts adopteert Gru drie weesjes – “It’s like my
heart is a tooth, and it’s got a cavity that can only be filled
with children”
– en laat hen een bestelling zoetigheden
afleveren aan Vectors adres. Op die manier smokkelt Gru – no
kidding
– een leger cookie robots binnen, die hem
vervolgens helpen de Shrink Ray te jatten. De maan ligt
voor het grijpen en de weg naar eeuwige roem open, wanneer het
noodlot toeslaat: Gru’s hart vult zich als bij toverslag met
genegenheid voor zijn snoezige adoptiedochters. Hij laat de maan
aan Vector en besluit zijn leven voortaan volledig aan het
vaderschap te wijden. Tot groot genoegen van de ukkies en van mama
Gru, dat spreekt voor zich.

Complex verhaal zonder veel diepgang, hadden we ook kunnen
schrijven. Hoewel de psychologische Entwicklung van Gru
centraal staat, wordt die melodramatische plotlijn niet genuanceerd
uitgewerkt. Het narratief staat in ‘Despicable Me’ dan ook ten
dienste van de humor: de talrijke subplots zijn duidelijk niet meer
dan kunstmatige opstapjes naar grappige situaties. En dat geeft
eigenlijk niet. Want geinig is ‘Despicable Me’ zeker. Vooral Gru’s
olijke leger van minions – gele zetpillen met armpjes,
beentjes en een variabel aantal ogen – is erg vermakelijk. De
schlemielige wezentjes praten nauwelijks en treden daarom op in
charmante slapstick-bits, de nodige dosis gratuit, fysiek
geweld incluis. De amusante minions zijn uiteraard
copycats van Scrat (‘Ice Age’), maar een kniesoor die
daarom maalt. Hun sketches worden bovendien afgewisseld met
kurkdroge, intelligente dialogen. Getuige volgende conversatie
tussen Gru en één van de geadopteerde meisjes: “Will you read
us a bedtime story?” / “No” / “Please?” / “No” / “Pretty please?” /
“The physical appearance of the please makes no difference.”

‘Despicable Me’ ontbeert echter de body van een ‘Finding
Nemo’ of ‘Shrek’, waarin elk kader barst van fijnzinnige, visuele
grapjes.

Maar dan: de vorm! Meer nog dan het levensverhaal van Gru, lijkt
‘Despicable Me’ de coming of age van de 3D-technologie te
verbeelden. Doorheen de hele film worden de mogelijkheden van de
3D-techniek onderzocht, de grenzen opgerekt en finaal zelfs
overschreden. Tijdens de eindgeneriek houden minions John,
Tim en Jacob namelijk een wedstrijdje wie het verst in de filmzaal
kan rijken: met behulp van wc-ontstoppers, vishengels en optimaal
benutte 3D-effecten weten ze steeds dichter bij het publiek te
komen. Dat levert in de eerste plaats een erg grappige metadialoog
op tussen de minions onderling (“In your face!
I can hear Twilight in the next theater! Team Jacob
rules!”)
en tussen de minions en het publiek
(“What’s up, audience? Share your popcorn and nachos!”).
Wanneer Jacob het spel uiteindelijk te ver drijft, door de film
breekt en aan de andere kant van het scherm plaatsneemt, lijkt hij
het publiek er nog eens nadrukkelijk op te willen wijzen dat de
hele film in wezen een reflectie op de 3D-revolutie is.

Helaas leidt dat zelfbewust omspringen met 3D-effecten in de
eerste plaats tot dezelfde goedkope exploitatie van de technologie
die de meeste 3D-vehikels tot op heden heeft gekenmerkt:
kruisraketten kietelen onze coiffure, vlijmscherpe priemen poken
herhaaldelijk in onze richting en we worden getrakteerd op een dol
ritje op een achtbaan. Maar! In tegenstelling tot de meeste films
gaat ‘Despicable Me’ een subtiel stapje verder. Ook in ‘gewone’
kaders – shots die niet tot doel hebben de kijker uit zijn zitje te
schudden – wordt de diepte van het beeld immers volop benut en
ontstaat een uniek samenspel tussen voor-, midden- en achterplan.
Voorbeeld: wanneer Gru in zijn ondergrondse lab aan het werk is,
valt zijn aangenomen kroost de werkruimte binnen en zet er de boel
op stelten. Terwijl de smiecht op de voorgrond de handen ter hemel
heft, vernielen de juffers op het middenplan het kostbare atelier
en geven een stuk of wat minions geamuseerd gesticulerend
commentaar op het tafereel. Oorzaak en gevolg (voor- en middelplan)
worden hier dus netjes in hetzelfde kader gevat en bovendien van
een ludieke kanttekening voorzien (achterplan). De interactie
tussen de drie beeldlagen laat de film toe zelfs de meest statische
scènes (banale conversaties, om maar iets te zeggen) dynamisch voor
te stellen. In de minion-gags wordt het beeld dan weer
sterk afgevlakt, zodat de aandacht volledig naar de veelzeggende
mimiek van de jolige mannetjes gaat. Dat genereert uiteraard een
boeiende afwisseling van stijlregisters, maar toont vooral aan dat
het allemaal niet per se hoeft in ‘Despicable Me’. Hoewel de
3D-techniek bij momenten brutaal wordt uitgebuit, voelt de film
zich duidelijk niet verplicht elk beeld vol te stouwen met visuele
overdaad. ‘Despicable Me’ zet zo de aanpak van ‘Toy Story 3’
verder, waar 3D ook al rustiger en meer realistisch werd benaderd,
en leert daarenboven dat de toegevoegde dimensie ook in
conventionele shots een meerwaarde kan bieden.

‘Despicable Me’ om zijn pientere dieptewerking honoreren als
hedendaags vormequivalent van ‘Citizen Kane’, daar wagen we ons
niet aan. De film laat echter zien dat 3D weldegelijk een
vormelijke surplus kan bieden en doet hopen dat de techniek in een
onbestemde toekomst ten dienste zal worden gesteld van meer visuele
pracht. Ook los daarvan is ‘Despicable Me’ uiterst genietbaar, met
dank aan antropomorfe poepsnoepjes en een spervuur aan oneliners.
Eentje om het af te leren: “When we got adopted by a bald guy,
I thought this’d be more like Annie”
(intertekstuele bedenking
van de kleine Edith, na een eerste verkenning van Gru’s weinig
feeërieke woonst).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 5 =