Dorleac :: Dorleac

“Project”. Nergens is dat woord zo’n matras als in de Vlaamse politiek en muziek. Nergens is het dan ook zo vaak respectievelijk een lege doos en een bezigheidstherapie waar vooral de makers veel plezier aan beleven. Niet zo bij Dorléac: Geike Arnaert en Erik de Jong (Spinvis) overstijgen zichzelf en elkaar.

Zowel rond Arnaert als de Jong was het al een hele tijd stil. Spinvis heeft al vijf jaar geen volwaardige studioplaat meer uitgebracht, en Alex Callier van Hooverphonic zit al twee jaar met de handen in het anders zo gebetonneerde haar over hoe hij die leemte na Arnaert moet opvullen. Beider stilte wordt nu zachtjes opgeschrikt door Dorléac, eerst een samenwerking voor de soundtrack van het ondertussen al bekroonde Adem, nu uitgemond in een volwaardige plaat omdat er te veel goed materiaal was. Het is te geloven.

Voor Arnaert is dit de perfecte opstap naar haar debuut: Dorléac blaast elke herinnering aan Hooverphonic zachtjes weg als een wimper van uw wang. Weg vergelijkingen. Dit gaat dieper, is atmosferischer, voller. Zelden stond haar stem zo ten dienste van de songs. Laat deze Arnaert het uurrooster van uw bus zingen, en De Lijn vervoert u vervolgens op een wereldreis bij schemeravond waarop niets is zoals u het zich had voorgesteld. Had Tom Helsen eerder dit jaar tien zangeressen nodig om een plaatje te vullen, Arnaert is tien zangeressen in één. Dat scheelt.

Arnaert draagt deze plaat maar gaat nooit met de songs aan de haal, laat staan dat ze een vocale loodgieter is die lekken in de nummers moet opvullen zoals dat bij Hooverphonic al eens het geval was. Met dank aan de Jong, die componeert en musiceert, creëert en sfeer schept op een niveau dat Dorléac nooit aandoet als “zomaar” Spinvis in het Engels, al doet dit meer dan ooit verlangen naar die derde plaat. Dorléac is een win-win in het kwadraat, niets minder en veel meer.

Niets is evident. Gilt u na de eerste minuut van openingsnummer “Driving In Silence” al gauw “Portishead!”, dan legt die gloedvolle, bloedmooie ontknoping ervan u meteen zachtjes en dwingend de wijsvinger op de mond. Zo’n openingsnummer dat u no matter what de hele plaat laat uitzitten, achter elke hook kan er immers schoonheid schuilen, net wanneer u dat het minst verwacht. En schoonheid is er genoeg bij Dorléac, in alle gedaanten. Al heeft u er wel ettelijke luisterbeurten voor nodig, als een schilderij dat pas na enkele penseelstreken van de meester vorm krijgt.

Dorléac is een met de ogen naar beneden beleefd feest van subtiliteit: het kushandje “Tommy And The Whale” klauwt zich elke keer meer in uw hoofd vast door een gitaarmotiefje dat zonder kloppen de song binnenschuifelt. “Entourage” verstilt door net díe juiste noten en zanglijnen van Arnaert en wordt aan het einde van de plaat met prachtige piano en synths hernomen in “Entourage II”, een beklemmende eindgeneriek die ze pakweg bij HBO of bij de makers van “The Killing” dringend eens moeten horen.

Evenzeer beklemmend is het donkere “Kill You”, dat steeds dreigender aanzwelt — de clip bij dit nummer (u vindt hem hier op YouTube) vult het griezelig perfect aan. “Lemon Pie” is dan weer van een speelsheid die de plaat met beide voetjes op de grond houdt. Dorléac lijkt echter op te bouwen naar het indringend mooie “Disparu”, een nummer dat louter lijkt te bestaan om in alles schoonheid te ontwaren, wat en waar dan ook. Het is een bril, een lens waardoor iets mistroostigs iets weemoedigs krijgt, ordinaire lelijkheid iets meewarigs, en ontroering iets tastbaars terwijl u ernaar luistert.

En dat is Dorléac misschien wel tout court. Dorléac is een album dat steeds anders klinkt en op u inhakt naargelang de plaats waar en het moment waarop u ernaar luistert. Op haar best is het muziek die wat u ziet anders inkleurt, en misschien meer nog omgekeerd. Onderga het vooral zelf.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + 20 =