WERCHTER 2010 :: De nuance van een betonmolen

Dag vier: “Jullie zijn zot. Zòt.”

U ziet er — met permissie — niet echt goed meer uit vandaag. De drie dagen hitte en het slapen in een sauna hebben duidelijk hun tol geëist. Bovendien staat er een menu van stevige rock op het programma. Wie de eindmeet van deze heetste Rock Werchter ooit haalt, mag dat met de nodige trots aan de kleinkinderen vertellen.

Het stof en de as van Feuermuziktheater Rammstein is nauwelijks gaan liggen als The Van Jets het podium opgejakkerd worden. Waren we zes jaar geleden allesbehalve onder de indruk van hun overwinning in de Rock Rally en kon debuut Electric Soldiers ons vier jaar geleden nauwelijks bekoren, Cat Fit Fury! biedt betere refreinen, méér melodie en… meer pit. De veroveringstocht van verre buitenlanden kan beginnen, zo lijkt halfweg dit concert. Wat een krachtig nummer is “Down Below”! Wat een triomf is “The Future”!

Johannes Verschaeve waant zich intussen een halve glamrockgod, getuige de scheut Ziggy Stardust genaamd “What’s Going On” en het stampende “Our Love = Strong ” dat zo uit de koker van Marc Bolan lijkt te komen. Voor wie het dan nog niet doorheeft, volgt nog een cover van David Bowies “Fashion” — voortjakkerend op zijn Van Jets. Het optreden zakt vervolgens even in, maar eindigt dankzij “Onawa” toch nog met het nodige machtsvertoon.

Het heeft drie dagen en temperatuurpieken tot diep in de 40 graden gekost, maar halverwege The Black Keys is het zover: de eerste blote tieten van het festival. Het enthousiasme van de fraai voorziene blonde die haar tweeling zonder g&ecircne voor de camera’s exposeert, is te begrijpen: de Keys spelen hier een stevige, strakke set die ferm afsteekt tegen het gezapige zondagmiddagsfeertje dat een beetje verderop in de wei nog altijd heerst. Drummer/producer Pat Carney zit alseen bezeten freak boven zijn drumstel gebogen, uit de gitaar en stem van Dan Auerbach kraakt bluesrock uit het stoffige, vergeelde en half versleten boekje. The Black Keys maken muziek die ideaal is voor in een rokerige kelder, maar — zo blijkt vandaag — eigenlijk ook even lekker smaakt op een zonovergoten Vlaamse wei.

“Jullie zijn zot. Zòt!”. Luuk Cox begrijpt het enthousiasme van de Pyramid Marquee niet helemaal. Het moet dan ook een sadist geweest zijn die Shameboy in het midden van de dag heeft geprogrammeerd. U besluit hem — net als de zon, de hitte, en de vermoeidheid van dag vier — feestelijk uit te dagen, en geeft alles wat u heeft op de beukende dance van het duo, dat tegenwoordig vervolledigd wordt door Dominik Friede. Goed, dat stukje La Roccatrance halfweg had niet gemoeten, maar “Strobot”, “Splend-It” en “Rechoque” walsen zoals dat verondersteld was de tent en de houten vloer plat. Wij vragen ons maar één ding af: als Chemical Brothers toch niet kon komen, waarom Shameboy dan niet als afsluiter van eigen bodem de mainstage opsturen?

Van de vijf man en de paardenkop die Alice In Chains anno 2010 nog op een festivalpodium verwachtten, dacht waarschijnlijk enkel de paardenkop in een overmoedige bui dat de groep ook een memorabele prestatie zou neerzetten. Met een woest “Rain When I Die” zitten we echter direct opnieuw in de jaren negentig. Bovendien benadert zanger William DuVall met akelige precisie de raspende bariton van de betreurde Layne Staley. Het openingstrio uit meesterwerk Dirt wordt uit verrassend veel kelen meegezongen en de dertigers rondom ons brullen tijdens “Would?” hun laatste jeugdtrauma weg. De setlist bestaat voornamelijk uit oud werk, maar ook de nieuwe songs “Check My Brain” en “Man In The Box” overtuigen. Je moet dan ook van erg slechte wil zijn om dit louter als een nostalgieconcert af te doen. Alice in Chains overtuigt op alle gebied en maakt ons benieuwd of die andere ninetiesband dit vanavond weet te overtreffen.

En dan moet Vampire Weekend wel erg hard zijn best doen om niet de seutjes van de dag te worden met hun springerige pop. “Joa, da ies wijvenmuziek”, waait ons uit Kempense hoek aan. Iets verder staat inderdaad een roedel bierpensen sceptisch te voorkomen dat hun pinten verdampen. Omdat het toch een verloren gevecht is, hebben Ezra Koenig en kompanen zich ook maar uitgedost alsof ze op weg van het scheikundelokaal naar de turnzaal een dreun of vijf kunnen verwachten. Dat heet zelfrelativering. Maar muzikaal zit het zoals gewoonlijk immens snor met Vampire Weekend. Bovendien gedijt hun op Afrikaanse leest geschoeide indiepop erg goed in deze hitte. Koenig is dan ook duidelijk van plan om zelfs de Kempense biertieten aan het swingen te krijgen wat met krakers als “Holiday”, “M79”, “Cape Cod Kwassa Kwassa” en “Cousins” al snel lijkt te lukken.

Dirty Projectors heeft nog net dat ene jaartje langer gestudeerd dan Vampire Weekend en verwacht van zijn publiek hetzelfde. Er staat dan ook erg weinig volk in de Marquee. Dat ze wat ongelukkig tegenover de toegankelijke neefjes van Vampire Weekend geprogrammeerd staan, doet hen weinig goed, maar de zeer clevere mix van pop, r’n’b en wereldmuziek ligt allerminst vlot in het gehoor. Wat op album (zie het fantastische Bitte Orca) perfect de grens tussen weerbarstig poppy en nauwelijks beluisterbaar bewandelt, durft live al eens een hermetische verzameling geluidjes te worden. Hoe graag we het onvolprezen “Stillness Is The Move” ook wilden horen, na een kwartier was het welletjes geweest. De groep kan ons zeker boeien, maar had vandaag het weer en een ongunstige programmatie tegen.

Supergroep(m, -en): muziekgroep waarvan je de leden liever met hun day job in actie ziet. Gedurende een half openingsnummer voldoet Them Crooked Vultures exact aan deze definitie, maar dan begint de band te jammen doorheen een killer-riff die Josh Homme (“You know me, I’m your drug friend. I’m Josh”) haast achteloos uit zijn gitaar tovert. Daaropvolgend: twee minuten van een nieuwe song, drie minuten jam, Josh Homme die tussen twee riffs door een scheut tequila naar binnen giet terwijl John Paul Jones en Dave Grohl een groove of drie door elkaar weven. Een patroon dat zich op steeds opwindender wijze herhaalt tot de set volgespeeld is. Dichter dan dit zullen we allicht niet bij een van Hommes Desert Sessions komen. U begon pas te morren toen Jones halfweg “Spinning In Daffodils” een jazzke placeerde op zijn keyboard. Nooit zo geweldig als Queens Of The Stone Age, Nirvana (we houden het bij Grohl-als-drummer-bands) of Led Zeppelin, maar steeds swingend en sexy als een tiet (die hield u overigens ditmaal wel onder stof); een gepiercete, met psychedelische tattoo, dat wel.

Arcade Fire maakt het ons niet bepaald makkelijk. De eerste twee songs is hun geluidsman nog op zoek naar de middentonen en het eerste half uur krijgen we enkel “Haïti” uit hun onvolprezen debuut te horen. Veel nieuwe songs bovendien, die op het eerste gehoor niet slecht klinken, maar ook geen instant hits zijn. Maar dan ontbindt de band haar duivels met het onverwoestbare “Neighbourhood #3 (Power Out)”, waar naar goede gewoonte een even verschroeiend “Rebellion (Lies)” aan geplakt wordt. Het nieuwe (en verrassend agressieve) “Month Of May” raast vervolgens onverstoord verder. We zijn intussen alweer helemaal verliefd op Arcade Fire, maar ze hebben nog “Intervention”, “Neighbourhood #1 (Tunnels)” en het luid meegezongen “Wake Up” in de mouwen zitten. Een kleine triomftocht voor een groep die klaar is om te headlinen.

Pearl Jam sluit voor een tweede maal Werchter af. Het is tekenend voor de grillige geschiedenis van deze band dat die vorige passage nog vers in het geheugen ligt en de band nu relevanter klinkt dan drie jaar geleden. Pearl Jam plukt zoals verwacht gretig uit zijn rijk gevulde catalogus. Verrassender is dat de songs uit hun recentste album Backspacer zeker geen dood moment in de set zijn en “The Fixer” zelfs een herkenningsapplaus krijgt. Dat was bij hun vorige passage (met een vers Pearl Jam onder de arm) wel even anders.

En net als we temidden een uitzinnig en lang uitgesponnen “Porch” nogmaals het woord triomftocht noteren, duikt de band tot ieders verbazing na nauwelijks 50 minuten al de coulissen in. Er volgen nog twee bisrondes, waarin Pearl Jam meer dan geïnspireerd staat te spelen. We krijgen de kans om met zijn allen “Alive” mee te zingen en de set eindigt met een woeste cover van “Kick Out The Jams” (met Dave Grohl op tamboerijn!), maar het was net niet fantastisch. Daarvoor speelde Pearl Jam een klassieker of drie te weinig en een cover te veel en had de groep ook dat laatste (geplande) half uur mogen volspelen. Want waar bleven “Better Man”, “Black” en vaste afsluiter “Yellow Ledbetter”, die volgens onze bronnen wel op de setlist stonden? Had de groep er geen zin meer in of werd de set door de organisatie ingekort? Dat Pearl Jam beter, enthousiaster en energieker speelde dan in 2007, maakte dat vroegtijdige einde alleen maar mysterieuzer.

Luc Janssen bleek alleszins (kom dat tegen) even van zijn melk, toen zijn dankwoord op boe-geroep onthaald werd. Het is een gepast dubbelzinnig orgelpunt voor een vreemde Werchter-editie. Organisatorisch zat alles zoals gewoonlijk best snor (al hoorden we enkele vrijwilligers klagen over de soms grimmige sfeer bij het publiek), maar de vier-dagen-Werchterformule lijkt tegen zijn limieten te zitten. Rock Werchter is voor velen het ideale begin van de zomervakantie: vier dagen kamperen en een reeks geweldige concerten.

Daar liep het dit jaar echter danig fout: geen enkele headliner die echt tot de verbeelding sprak, maar vier bands die degelijk en betrouwbaar hun ding deden. Geen echte verrassingen vroeg op de dag of in de Marquee en zelfs een aantal acts dat kwam tonen hoe pijnlijk ver je over je hoogtepunt heen kan zijn. Terwijl vele andere festivals evolueren (meer en duidelijker geprofileerde podia, meer randprogramma, exclusieve headliners, een origineel festivalconcept), geeft Rock Werchter met deze weinig memorabele editie de indruk op zijn lauweren te rusten. Hopelijk krijgt het festival weer meer pit zonder dat de dagkassa’s weer afgestoft moeten worden. Dat is het beste festival ter wereld aan zichzelf verplicht, toch?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier + acht =