WERCHTER 2010 :: De nuance van een betonmolen

Het zit er weer op. Tachtigduizend moeders hebben hun kroost opnieuw in de armen gesloten, zuchtend de wasmachine volgestopt, en de slaapogen naar bed gestuurd. Uw mannen op de wei leven al lang weg van het ouderlijk gezag; zij zetten gewoon hun computer aan en bewerkten het verslag uit de wei tot dit achterafverslag: langer, beter en uitgebreider.

Dag een: “Jullie zijn een gekke geile bende”

Er vallen veel bikini’s te bespeuren, veel meer degoutante behaarde bierbuiken dan we ooit in ons leven hadden willen zien en een bos aan witte benen die mettertijd een kreeftenkleurtje krijgt. Wie niet doordrenkt van het zweet is, wordt als buitenbeentje beschouwd, en okselvijvers worden niet meer beantwoord met gedegouteerde blikken. Het was, met andere woorden, héét op dag een.

Honderden zwembaden kunnen worden gevuld met het zweet dat de menigte op dag één produceerde. Het was ondraaglijk heet en dat was ook te merken op het podium, waar de meesten muzikanten niet konden omspringen met de omstandigheden. Wat volgde waren veel teleurstellende concerten, met hier en daar een lichtpunt.

“Laten we die jongeren van in het begin eens goed doen stinken”, moet het springerig gezelschap van De Jeugd van Tegenwoordig gedacht hebben. Wie kan er beter volk lokken en ze met een simpele vingerknip doen meezingen dan onze Noorderburen? Of de temperatuur nu rond het vriespunt ligt, of boven de dertig graden steekt, Willie Wartaal, Vieze Fur en P. Fabergé jutten de menigte steeds op met hun vulgaire — seksueel getinte — teksten. De vette electrodeuntjes van Bas Bron stuwen de eerste bezoekers tijdens “Hollereer” en “Deze Donkere Jongen Komt Zo Hard” naar een eerste hoogtepunt op Werchter. Goede opener dus, of in hun eigen woorden: “Jullie zijn een gekke geile bende!”

En daar klinkt het “It’s good to be back!” van Skunk Anansie: voor het eerst in tien jaar staat het nineties-rockvehikel nog eens op Rock Werchter en dat kan de groep duidelijk smaken. Vooral leading lady Skin amuseert zich te pletter, zo vroeg op de avond. Terwijl de avondzon zachtjes verdwijnt achter het hoofdpodium (niet dat het er frisser op wordt) huppelt de zangeres het podium heen en weer, holt ze al eens een keer naar de PA-toren en surft ze een keer of twee op de handen van een redelijk dankbaar publiek.

“Belgian boys are strong”, kirt Skin, terwijl ze doet alsof ze haar microfoon aftrekt. Tiens, was Skin geen lesbo? Een geweldig lekkere lesbo alleszins, want hoewel het muzikaal allemaal op niet veel trekt (het genre heruitvinden gaat Skunk Anansie bezwaarlijk doen) amuseren wij ons wel 50 minuten te pletter. “I want to suck your face”, zingt Skin terwijl ze haar hand onder het T-shirt van een cameraman stopt. We vergeven haar graag dat ze soms vergat te zingen.

Geen seks in de Marquee, waar Midlakemet zijn melancholische songs de hitte trotseert. Het heeft allemaal veel weg van Fleet Foxes vorig jaar, toen die de ene heerlijke harmonie na de andere over de festivalweide smeten. “Winter Dies” toont meteen aan dat de vergelijking met die baardmannen nooit ver weg is; we krijgen dromerige folksongs, ondersteund door twee heldere engelenstemmen, en zorgvuldig gitaarspel. Tijdens afsluiters “Head Home” en “The Core Of Nature” draait de groep de gitaarknop misschien net iets te hard open, waardoor de set zich eerder ontpopt tot een festival voor gitaarvirtuozen.

De Texanen verliezen zich te veel in gitaarsolo’s die zo uit het grote Fleetwood Mac-handboek komen, hoewel de rest van de set best te pruimen valt. Ouder werk als “Roscoe” en “Young Bride” doen de tropische temperaturen even vergeten, en ook “Rulers, Ruling All Things” zorgt voor een helder lichtpunt. Midlake is misschien niet geschikt voor het grotere festivalwerk, maar eerlijk; iedereen geniet wel van frisse folksongs in een openbare sauna. Meteen een opgestoken middelvinger naar de naïeve jongelingen die dit soort muziek als marginaal klasseren.

Van een bende houthakkers naar een hitjesmachine in haute couture uit Parijs: Phoenix. Van het moment dat opener “Lisztomania” het publiek bij zijn schabbernak grijpt tot “1901” er euforisch een punt achter zet, volgt de ene knaller na de andere. Zonder veel franjes brengt de groep zijn gladde electropop, terwijl frontman Thomas Mars gretig de eerste rijen opzoekt. We horen hoe “Consolation Prizes” iets steviger wordt aangezet dan op plaat en ook “If I Ever Feel Better” en “Rome” krijgen een potige make-over die niet overbodig is voor het grote podium dat de groep mag bespelen. Met een donderende outro aan “1901” wordt het met een uitroepteken duidelijk gemaakt: live is Phoenix een pak meer rockband dan de platen doen vermoeden.

Terwijl “Lisztomania” in de verte weerklinkt, zijn de hipste tieners van het moment aan zet. The xx: helemaal in het zwart, de ogen verstopt achter een enorme bles en twee sensuele stemmen die elkaar in de vorm van een seksueel rollenspel toespreken. Oliver Sim bespeelt zijn bas met een zwoele blik in de ogen, terwijl Romy Madley Croft verlegen van achter haar gitaar met bange ogen de menigte toekijkt. Ondanks al het succes blijven ze schuchter en onder de indruk van de massa die hun liedjes één voor één meezingt.

En toch wringt er iets; “Intro” slaagt er normaal in de luisteraar vanaf de eerste noot bij de lurven te grijpen, in trance te brengen, maar de trip waarin The xx ons met zijn zaalconcerten meesleurde, is nu telkens van korte duur. Het sensuele rollenspel van Croft en Sim klopt nochtans, en ook muzikaal laten beiden weinig steken vallen. Toch lijkt de magische formule van “Islands” en “Night Time” uitgewerkt, maar niemand die echt begrijpt waarom. Ligt het aan het festival, de drukkende hitte of het vroege uur? Noteer: The xx hoort thuis op een intieme locatie, niet op Rock Werchter.

En zo duurt het napraten over de passage van The xx tot plots die enorme rosse kuif — die zelfs die van Morrissey in verlegenheid brengt — het podium ophuppelt. Dat kan niemand anders zijn dan Elly Jackson, de vrouw achter La Roux. Na een succesvol jaar waarin haar debuut door mening muziekliefhebber grijs werd gedraaid, moest haar passage op Rock Werchter een triomftocht worden. Al snel valt op dat La Roux de titel “popprinses van het jaar” op niet geheel eerlijke wijze verkregen heeft. Haar schrille stem klinkt nu en dan vals, en de helft van haar liedjes blijft nooit in het geheugen hangen wegens te saai. Tot “In For The Kill” en “Bulletproof” met een adrenalinerush bevestigen dat La Roux wel degelijk aanstekelijke feestnummers in huis heeft. De overvolle tent gaat euforisch mee in samenzang, en La Roux toont naarmate haar set eindigt dat ze het toch in zich heeft om een grote festivaltent in te palmen. Voorlopig blijft ze echter een goedkope barbiepop met geluid.

Aan de leegte rond de Marquee kan al snel worden afgeleid dat Muse de hele menigte naar hen toe zuigt. Niemand overigens die we ongelijk geven om The Bloody Beetroots compleet te negeren. Het Italiaanse combo wordt nochtans met hun gloednieuw project (Death Crew 77) vooruitgeschoven als nieuwe Soulwax of welke gerenommeerde elektronische liveband dan ook. Nu ja “liveband” is misschien een groot woord; de gitaar waarmee frontman Bob Rifo de show steelt, blijkt slechts een object te zijn dat hij niet eens echt kan bespelen, en ook het gebliep uit de keyboards is voorgeprogrammeerd. Vuile, opzwepende beats worden overklast door het geschreeuw en de adrenaline van Rifo, terwijl het publiek er agressief op los danst. Niemand lijkt het erg te vinden dat The Bloody Beetroots in feite een dj-set geeft met dure — onbenutte — podiumattributen. Niet eens een overtuigende dj-set. Dan toch maar verder naar Muse.

Dat doet dan ook waarvoor het gevraagd werd: twee uur lang pathos, bombast en theater afvuren met de precisie van een Duitse bommenwerper en het gevoel voor nuance van een betonmolen. We raken er dan ook hoe langer hoe meer van overtuigd dat als deze groep Duitse roots had gehad, Rammstein geduchte concurrentie had gekregen. Voorlopig blijft Matthew Bellamy echter Brits van bloed, en dus werd er als vanouds weer gezwolgen in paranoïde samenzweringstheorieën en andere onzin, terwijl de simpele combinatie van bas, drum, gitaar en toetsen zijn best deed om zoveel mogelijk lawaai te maken. Muse was met andere woorden luid, zwaar en hysterisch, en u genoot daar met volle teugen van. Terecht, want “Bliss”, “Newborn” en “Hysteria” blijven klassiekers waartussen nieuwer werk als “Starlight” of “Map Of The Problematique” niet verbleekte. Klaar voor de stadions? Zo ver willen we nog niet gaan, maar de headlinerstatus was meer dan verdiend.

Bijna heel de wei moet bekomen van Muse, waarna Faithless dag één wil afsluiten met anderhalf uur onbekommerde pret. En zullen we eens een controversieel bommetje werpen? Een kwartier lang denken we dat we het al die jaren mis hebben gehad, en is dit optreden zeer te pruimen. Openers “Happy” en “Sun To Me” zijn van het soort samenhorige warmte waarvoor housemuziek ooit is uitgevonden, en een vroeg “God Is a DJ” is een eerste keer massale euforie. Waarna Maxi Jazz de microfoon doorgeeft aan Harry Collier voor “Feel Me Now”, en dit optreden razendsnel de dieperik in gaat. We houden het dan maar voor gezien en blijven bij ons pleidooi voor een jaarlijks Faithallica festival waar dit Faithless en Metallica elk jaar hun verplicht rondje mogen komen maken voor de fans, maar wij er tenminste niet mee lastig gevallen worden. Morgen? Een onweer, hopelijk, en wel tijdens “Papillon”: dat lijkt ons wel iets.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien + 17 =