PUKKELPOP 2010 :: Chateau, donderdag 19 augustus

De Chateau, het Kasteel der Ontdekkingen, heeft zijn comfortabele zittribune letterlijk buiten gegooid om u — massaal tickets kopend publiek — beter van dienst te zijn. Meer ruimte dus, met een ijzingwekkend sterke affiche op dag één. Althans, op papier…

Verschillende keren op de tippen van onze tenen gaan staan om het te checken, maar het klopt: Bear In Heaven is een Brooklyns trio mánnen, ook al doet Jon Philpots stem — een kruising tussen Boy George en Karin Dreijer — anders vermoeden. De geladenheid in hun met new wave, psychedelische elektronica en hippe New Yorkse indierock (Animal Collective-alarm!) gelardeerde act heeft ook wat weg van The Knife, al is de nooduitgang hier zichtbaarder en de ademruimte groter. Een nummer als “Deafening Love”, met zijn synth-drones en eng gezang (Philpot klinkt er als een kinderkoor from hell), is hier een voorbeeld van. Ook zeer sterk: “Lovesick Teenagers”, een psychedelisch stukje pop voortdrijvend op een immer kabbelend riviertje van synthesizers, met hier en daar een effectje als een opspringende vis. Een zelfde soort beekje komt terug in afsluiter “Casual Goodbye” met indrukwekkende drumpartijen voor drummer Joe Stickney en een refrein dat dat ander berengroepje, Grizzly Bear, niet zou misstaan. Mooi, en de dag is nog maar net begonnen!

IJskoninginnen, we moeten er niet al te veel van hebben, maar toch konden we het wel vinden met Nerve Up, het debuut van Julien Campbells alterego Lonelady. Getekend bij Warp — nooit een slecht teken — liet de zuurpruim uit Manchester de in staccato communicerende gitaren van 10,000 Maniacs, de melodieën van Throwing Muses, Belly en vroege R.E.M., de stem van Kristin Hersh en het in teenage angst verzonken drumspel van Joy Division mooi samengaan. Onderkoeld, het korset tot ademnood aangespannen, werkte die aanpak perfect op plaat. Live blijken die strakke industriële landschappen echter slechts bouwvallige verkavelingen. Zielloos (en met de nodige technische euvels) staat Campbell haar lesje op te zeggen en dat is jammer, want haar twee medemuzikanten bieden de gelegenheid om die kilte wat hartverwarmender te maken. Maar dat was dus buiten hun eigen futloosheid en die van Campbell gerekend. Alleen de titelsong wordt met een minimum aan overtuiging gebracht. Zelfs geen “thank you” kon er van af. Boerin!

“Lang geleden dat we nog eens wat postrock hebben gehoord”, dachten we zo. Dan maar naar het naar verluidt experimentele postrock brengende And So I Watch You From Afar. Postrock ons oor, ja: instrumentaal bruut geweld dat klinkt alsof 65DaysOfStatic werd grootgebracht op een dieet van kort aangebonden hardcorepunk in een wereld zonder dancemuziek, more likely. Misschien is dit de volgende stap voor kinderen die net Blink 182 zijn ontgroeid, maar verderop in de jaren des onderscheids moeten we toch duidelijk zijn: bagger.

Geen betere setting dan de zonsondergang, die zich op dit moment — weliswaar buiten de tent– afspeelt, voor Girls , het indierockcollectief uit San Francisco, dat tussen het werken aan de opvolger van debuutplaat Album ook nog vlotjes aan het touren is. Vijftig minuten genieten van enerzijds heerlijk nostalgische en anderzijds weemoedige hippiesongs en de voor jangle pop en shoegaze aangeboren voorliefde rijkelijk aanwezig zijn. Het kabbelt wat aan en het is pas bij “Lust For Life” en een tot een verschroeiend anthem uitgebouwd “Morning Light” (al blijft die riff gepikt van Sonic Youth) dat de tent alsnog in de fik gezet wordt. Fijn vertoeven in het gezelschap van Girls,dus, hoewel menig mansvolk dat zich liet leiden door de bandnaam en vervolgens bedrogen uitkwam, daar misschien anders over denkt.

Ja, het gestotter tijdens de bindteksten van Brian Briggs maakt hem schattig en ja, Stornoway is de meest bescheiden groep op de affiche. Maar maakt dat van het viertal een veelbelovende folkband om naast Laura Marling en Mumford & Sons te plaatsen? Neen, want Stornoway is zo saai dat we er bijna van beginnen huilen. De akoestische gitaar in combinatie met een banjo: het moet wel een droomformule anno 2010 zijn, maar verder dan een leuk nummer (“Zorbing”) komt Stornoway echter nooit. Dit is zo’n band waarvan je alle teksten vanbuiten leert of ze simpelweg haat. Dat doen we niet, al was het maar omdat het gestuntel van Briggs zo grappig is.

“Er kan altijd nog een streepje distortion bij”, dachten de twee heren van Fuck Buttons en u bent het stevig met hen eens. Elke keer het duo nog een schuifje noise meer opentrekt, is het gejuich nog net een tikje harder, terwijl ook de beats van zwaar naar loodzwaar evolueren. Het resultaat is een onweerstaanbare vloedgolf dansbare noise die het Chateaupubliek meezuigt naar een ander plek. Dit is pure trance, maar dan niet zoals die jeanetten van Sylver en Lasgo dat begrijpen. Indrukwekkend.

Het plaatje moét wel kloppen voor These New Puritans om één uur ’s nachts in de obscure Chateau. Toch mag het niet baten; een makke set en vooral een slapend publiek doen de gebroeders Barnett de das om. Tot onze grote spijt vindt de vooruitstrevende pop van Hidden nooit zijn weg naar de oren van de massa, enkel het stevig drumspel van George Barnett belet ons in te dommelen. “We Want War” — dé song van 2010? — doet in het begin verlangen naar meer mysterie, maar de motor valt na die opener al even snel uit. Ook “Attack Music” en het uitstekende “Elvis” bevestigen dat de Britten veel in hun mars hebben, en toch blijft de Chateau op zijn honger zitten. Het is een concert met vallen en opstaan voor These New Puritans, dat schijnbaar met plezier op de bühne stond. De groep wilde wel, het publiek iets minder. En dat op dag één: plooiers!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 3 =