Ajami





120 min. / ISR – D / 2009

Eigenlijk mag het een klein mirakel heten dat ‘Ajami’ ooit
gemaakt is kunnen worden. Toen Yaron Shani, een Israëlische jood,
en Scandar Copti, een Palestijn, in 2002 de handen in elkaar
sloegen om gezamenlijk een film te regisseren, dacht nagenoeg
iedereen: hier komen vodden van. Dat ze hun project desondanks
zonder ongelukken hebben kunnen realiseren, is zonder meer
bemoedigend. Cinema als bindweefsel voor een verdeeld Israël: een
mens zou van minder lyrisch worden. Maar ook als film nodigt
‘Ajami’ uit tot optimisme. In de zeven jaar dat ze in hun debuut
hebben gestoken, hebben Shani en Copti namelijk alle tijd gekregen
om hun niet-professionele acteurs te finetunen. De twee
lieten de ganse cast een workshop volgen van tien maanden en namen
nagenoeg alle scènes chronologisch op, zodat de acteurs niet te
zeer van het verhaal konden vervreemden. Hun eigenzinnige aanpak
heeft duidelijk zijn vruchten afgeworpen. ‘Ajami’ is beenhard,
gevoelig, maar bovenal hyperrealistisch.

‘Ajami’ is genoemd naar een gelijknamige wijk in Tel Aviv, waar
joden, christenen en moslims bij elkaar zijn getrost. Middenin die
smeltkroes situeren Shani en Copti vijf plotlijnen, die de
onderhuidse spanningen in de kosmopolitische heksenketel moeten
blootleggen. Het begint allemaal met een man die een crimineel van
een voorname clan neerschiet en op die manier een verwoestend
domino-effect ontketent. Uit vrees voor represailles moet de
familie van de dader onderduiken en moet Omar, zijn neef, een
ereschuld betalen aan de familie van het slachtoffer. Dan is er nog
de jonge Malek, die illegaal in een restaurant werkt om de
ziekenhuiskosten van zijn moeder te kunnen betalen; de Palestijn
Binj en zijn joodse vriendin die uit Ajami weg willen, maar geen
geld hebben; en de joodse agent Dando wiens broer op geheimzinnige
wijze vermist is geraakt.

Het is dus een vrij complex kluwen aan verhalen en perspectieven
dat hier in vijf hoofdstukken op de kijker wordt losgelaten. Hoewel
de film zich afspeelt in één locatie, omspant het verhaal een
enorme rijkdom aan personages en thema’s: uit de hand gelopen
burenruzies, gevaarlijke drugszaakjes, liefde die wordt belemmerd
door religieuze verschillen, enzovoort. Om die gelaagdheid zo
eenvoudig mogelijk aan de man te brengen, doen Shani en Copti een
beroep op een Iñárritu-achtige structuur, waarbij de verhaallijnen
terloops met elkaar in verband worden gebracht. Af en toe, zeker
bij de eerste kijkbeurt, zorgt dat ongetwijfeld voor wat
verwarring: daar waar andere films een halfuur nodig hebben om de
context toe te lichten, word je in ‘Ajami’ quasi meteen na de
begingeneriek middenin het geweld gedropt. Gelukkig neemt het
regisseursduo ook de tijd om wat rustpunten in te lassen, zoals
bijvoorbeeld de geweldige, bijna surreële scène waarin een dispuut
voor een dubieus, primitief soort ‘rechtbank’ moet worden beslecht.
Bij zijn vonnis houdt de ‘rechter’ rekening met het feit dat het
ene slachtoffer kreupel is en het andere slechts gewond. Op de koop
toe wil hij dat de overtreders nog een flink bedrag betalen aan
God. Je kan bijna niet geloven dat de scène zich afspeelt in de
21ste eeuw.

Zo gaat het er dus aan toe in de verstedelijkte jungle van Tel
Aviv: de corruptie is doorgedrongen tot alle takken van de
samenleving, de wet van de sterkste regeert. Toch wijzen Shani en
Copti nergens met een belerend vingertje, integendeel. Het
regisseursduo beperkt zich uitsluitend tot een bijna documentaire
registratie van hun heimat. Hun camera is als het ware een
fly-on-the-wall die trilt en schokt op het ruige ritme van
het Israëlische straatleven. Door verschillende perspectieven aan
bod te laten komen, slagen ze er bovendien in om hun een film een
ongewone diepgang mee te geven – denk aan The Wire op zijn
Midden-Oosters. In ‘Ajami’ is geen plaats voor (voor)oordelen: elke
bevolkingsgroep wordt getekend met de nodige nuances; elke vorm van
geweld wordt gemotiveerd. De waarheid is dat zowel de christenen
als de joden en de Palestijnen het recht hebben om kwaad te zijn op
elkaar. Zo is het nu eenmaal historisch geëvolueerd en zo zal het
wellicht nog een heel tijdje blijven. Maar als
Israelisch-Palestijnse coproductie is ‘Ajami’ toch al een eerste,
weliswaar kleine stap in de goede richting.

De grootste pluim komt echter toe aan de acteurs, die werden
gecast op basis van hun persoonlijke ervaringen. Tijdens de casting
gingen de regisseurs niet zozeer op zoek naar goede acteurs, maar
naar mensen die een psychologische verwantschap hadden met het
personage dat ze moesten vertolken. Eigenlijk wilden ze dat hun
acteurs net zo weinig mogelijk acteerden: de nadruk moest
immers liggen op spontaniteit en authenticiteit. Het valt allemaal
erg goed te vergelijken met de aanpak die in het Italiaanse
neorealisme zo vaak werd beoefend. Wie anders kan een straatkind
beter spelen dan een straatkind zelf? De grens tussen fictie en
werkelijkheid, die sowieso al erg flou is, wordt op die manier nog
wat meer onzichtbaar gemaakt. Maar dat is de filmtheorie. Het
belangrijkste is dat je als kijker de personages gelooft,
en dat kost hier geen enkele moeite. Ik denk eigenlijk niet dat een
fictiefilm dichter bij de realiteit kan liggen dan ‘Ajami’.

Dat alles maakt van het debuut van Yaron Shani en Scandar Copti
een explosieve, intelligente brok (wereld)cinema: een film die de
nodige concentratie vergt, maar de kijker beloont met een ronduit
geweldige ontknoping, waarin alle losse eindjes aan elkaar worden
geknoopt. Dat je tussendoor ook nog eens een dieper inzicht krijgt
in de politieke chaos van Israël, is alleen maar leuk meegenomen.
‘Ajami’ is een revelatie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − een =