Faust




Ongeveer halverwege de jaren twintig kwam er een eerste
belangrijke periode in de Duitse film (en bij uitbreiding in de
wereldcinema) ten einde. Het expressionisme, verantwoordelijk voor
klassiekers als ‘Nosferatu’ en ‘Das Cabinet des Dr. Caligari’, dat
tot dan toe zo invloedrijk en toonaangevend was geweest, moest
plaats ruimen voor iets nieuws. De politieke en economische
werkelijkheid had daar veel mee te maken: dankzij het Dawes Plan
van 1924 mocht Duitsland weer meedraaien in de geallieerde
economie, waardoor de extreme financiële crisis voorlopig voorbij
was. Als een reactie op die terugkeer naar een (min of meer)
normale gang van zaken, werden na verloop van tijd ook de
filmonderwerpen realistischer. In plaats van zwaar gestileerde
horrorfilms, keerden regisseurs als G.W. Pabst zich tot de
zogenaamde Strassenfilme: uit het leven gegrepen sociale
drama’s, die de wereld wilden laten zien zoals hij was, niet zoals
hij er uitzag in de koortsige fantasie van een filmmaker. Bovendien
begon Hollywood steeds meer het talent uit Duitsland weg te
plukken, inclusief figuren als Ernst Lubitsch, Michael Curtiz,
Conrad Veidt en ‘Nosferatu’-regisseur F.W. Murnau. Het staat
natuurlijk open voor discussie hoe lang het expressionisme nog
verder zou overleven (‘Metropolis’ betekende sowieso nog een sterke
opflakkering en er zijn zelfs mensen die Fritz Langs geluidsfilm
‘M’ tot de stroming zouden rekenen). Maar in ieder geval werden
andere stijlen steeds belangrijker rond die tijd. Murnau’s ‘Faust’,
uit 1926, was één van de laatste grote expressionistische
horrorfilms.

In het verhaal zoals Murnau het vertelt, is Faust (Gösta Ekman)
een gefrustreerde wetenschapper die overal om zich heen mensen ziet
sterven aan de pest, zonder dat hij hen kan helpen. Zowel zijn
eigen intellect als zijn smeekbedes bij God kunnen geen oplossing
bieden. Uit pure wanhoop probeert hij het uiteindelijk op een
andere manier: hij roept de duivel, Mephisto (Emil Jannings) op, en
verkoopt zijn ziel aan hem. Aanvankelijk wil Faust zijn deal met
Mephisto enkel aanwenden om de slachtoffers van de pest te helpen,
maar al snel laat hij zijn oog vallen op Gretchen (Camilla Horn),
een dartele jonge freule zoals ze die alleen in het Duitsland van
voor WO II voorradig hadden (die vlechten!). Op slag vergeet Faust
de ziekte die zijn stad kwelt (samen met de film, trouwens: tijdens
de rest van het verhaal wordt er over de pest met geen woord meer
gerept). Hij vraagt aan de duivel om hem weer jong te maken, waarna
hij op vrijersvoeten gaat. Een beslissing die tragische gevolgen
zal hebben.

Klassieker of niet, anno 1926 waren de kritieken op de film
vernietigend – voornamelijk omdat Murnau grote vrijheden had
genomen met het bronmateriaal, dat door Goethe in een definitieve
vorm was gegoten. En zelfs nu blijft ‘Faust’ een mindere god in
vergelijking met ‘Nosferatu’ en ‘Dr. Caligari’.

Visueel valt er in ieder geval niets op de prent aan te merken.
‘Faust’ laat zich iets minder extreem kenmerken als een
expressionistische film, in de zin dat de sets niet allemaal schots
en scheef staan en dat de decors niet overduidelijk op een doek
getekend zijn. ‘Dr. Caligari’ ging waarschijnlijk het verst in die
stilistiek. Maar vergis je niet, realisme is nog steeds zeer ver te
zoeken. Vanaf het begin creëert Murnau een volledig afgebakende,
surreële wereld, die tot leven wordt gewekt met special effects die
(de leeftijd van de film in acht genomen) nog steeds indrukwekkend
zijn. De regisseur maakt prachtig gebruik van composite
shots,
waarin de dreigende, uiteraard steeds in het zwart
gehulde figuur van Mephisto onheilspellend uittorent boven het
stadje waar Faust woont. Wanneer Faust de duivel oproept, ontstaan
er plots vuurcirkels op de grond. Mephisto zelf rijdt op een
soortement draak. En dat alles is nog buiten dé ultieme sequens van
de film gerekend, waarin de duivel Faust een ritje geeft op een
vliegend tapijt. Waar de expressionistische look van
eerdere films vooral afkomstig was van de decors, sets en
camerastandpunten, rekent Murnau hier veel meer op zijn speciale
effecten. Het effect is hoe dan ook gelijkaardig: een barokke
visuele stijl, met veel diagonale lijnen en bewust chaotische
massascènes.

Het is echter inhoudelijk dat ‘Faust’ de bal wel eens durft
misslaan. Na een briljant eerste half uur, dat baadt in een
heerlijk dreigende gotische sfeer, verandert Murnau plotseling
radicaal van toon. Hij toont hoe Faust (dankzij Mephisto in een
veel jongere verpakking) begint te flirten met Gretchen, terwijl de
duivel zelf achter haar tante Marthe (Yvette Guilbert) aangaat. In
deze scènes valt elke schijn van horror plotseling weg, om plaats
te maken voor low-brow comedy (Mephisto die Marthe’s
theemuts over haar ogen trekt, lacheu!).

Thematisch hebben deze scènes wel degelijk hun nut. Gretchen is
een onschuldig, maagdelijk meisje, en het feit dat Faust juist haar
wil hebben, toont aan dat hij, zelfs nadat hij zijn ziel heeft
verkocht aan de duivel, nog altijd streeft naar zuiverheid en
goddelijkheid. Mephisto bood hem de voluptueuze en sensuele
hertogin van Parma aan – een “vrouw met ervaring” om het zo uit te
drukken – maar daar was Faust niet tevreden mee. De romance tussen
Faust en Gretchen is bijgevolg zeer tegen de zin van Mephisto (die
de ziel van Faust niet wil verliezen aan de onschuld van Gretchen),
en hij steekt er dan ook een stokje voor.

Dat klopt dus wel, maar in de praktijk komt dat langgerekte
komische intermezzo storend over. Niets veroudert zo snel als humor
(behalve misschien Duitse humor), en de kluchtige
slapstick van dit centrale deel van de film vloekt
verschrikkelijk met de rest van de prent. Vooral ook omdat het
einde dan weer zo ongenadig hard is. Murnau herinnert zich
plotseling dat het eigenlijk allemaal niet om te lachen is, en
geeft ons een briljant geregisseerde finale die diep deprimerend
is. Op die manier ontwikkelt ‘Faust’ zich tot een schizofrene
filmervaring, die veel moeilijker te plaatsen is dan zijn andere
grote meesterwerken, ‘Nosferatu’ en ‘Der Letzte Mann’.

Emile Jannings, die eerder al met Murnau had gewerkt in ‘Der
Letzte Mann’ en later nog onsterfelijk zou worden in ‘Der Blaue
Engel’, gaat fenomenaal over de top als Mephisto. Dit waren de
dagen voor genuanceerde, subtiele vertolkingen de rigueur werden,
en zijn prestatie hier is dan ook een feest van theatrale grimassen
en wenkbrauwen die steeds maar hoger en hoger gaan. Je moet er aan
wennen, zoals dat gewoonlijk het geval is als je naar een stille
film kijkt, maar onderhoudend is het zeker. Gösta Ekman is
overtuigend, zowel in zijn vertolking van de stokoude, van een
Mozesbaard voorziene Faust, als de jongere, ietwat verwijfde
versie, terwijl Camilla Horn haar droeve puppy-ogen en
indrukwekkende vlechten het werk laat doen als Gretchen.

‘Faust’ is een film met een hoek af, een gemankeerd meesterwerk.
Maar wat een fascinerend curiosum, wat een begin, wat een einde, en
wat een bizarre bende van een middenstuk!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × een =