Nosferatu




Het zal voor de meeste mensen altijd wel een mate van
zelfdiscipline vereisen om een stomme film te bekijken – je kunt
dan wel een cinefiel zijn, maar dammit, ondertussen zit je
daar wel anderhalf uur lang naar mensen te zien die onder
begeleiding van lichtjes overdreven muziek smoelen staan te trekken
om uit te drukken waar ze geen woorden voor kunnen gebruiken. De
stijl en onvermijdelijk verouderde vorm van de stomme film zorgen
ervoor dat het altijd iets is “waar je je aan moet zetten”. Maar de
beloning kan groot zijn, als je de juiste film treft, omdat je vaak
in een periode van de filmgeschiedenis verzeild raakt waarin je
conventies en stijlen ziet ontstaan. Iedereen spreekt steeds over
filmgrammatica, maar die bestaat enkel omdat de pioniers van het
medium die grammatica eigenhandig hebben uitgevonden. Dat geldt
voor maar weinig stomme films zo nadrukkelijk als voor ‘Nosferatu’,
één van de allereerste horrorfilms, en sowieso de eerste
‘Dracula’-bewerking ooit gemaakt.

F.W. Murnau, de Duitse regisseur die na ‘Nosferatu’ zijn
stempel op de vroege filmgeschiedenis nog dieper zou indrukken met
‘Der Letzte Mann’ en ‘Sunrise’, maakte ‘Nosferatu’ in 1922. Volgens
een overbekende anekdote kon hij de rechten op de originele roman
van Bram Stoker niet loskrijgen (of toch niet voor een prijs die
hij wilde betalen), waardoor Murnau simpelweg de namen van de
personages veranderde en de plot hier en daar bijvijlde, om
vervolgens zijn eigen zin te doen. De resulterende prent was echter
zo duidelijk een verfilming van Stokers boek, dat de weduwe van de
schrijver Murnau een proces aansmeerde (en gelijk had ze). Niet dat
dat iets wegneemt van de kwaliteiten ervan. ‘Nosferatu’ blijft een
ijkpunt van de Duitse expressionistische cinema, en zonder meer de
meest invloedrijke horrorfilm aller tijden.

De plot draait rond Hutter (Gustav Von Wangenheim), een brave
klerk bij een makelaar in onroerend goed die door zijn baas, Knock
(Alexander Granach) naar de Karpaten wordt gestuurd om er de
excentrieke graaf Orlock (Max Schreck) te ontmoeten. Orlock wilt
schijnbaar een huis kopen in Bremen en Hutter moet hem daarbij
helpen. Het feit dat Orlock spitse ratoren heeft, klauwen als
handen, twee slagtanden in z’n mond en een ongezonde obsessie voor
bloed, is echter een hint dat niet alles pluis is in de Karpaten.
Wanneer Orlock een foto ziet van Hutters vrouw, Ellen (Greta
Schröder), voelt de vampier schijnbaar iets tot leven komen dat al
lang niet meer in leven is geweest en hij besluit achter haar aan
te gaan.

Een sleutel tot de benadering die Murnau heeft gekozen, ligt in
de titel. Het originele ‘Dracula’ was wegens copyright overwegingen
niet mogelijk, wat leidde tot ‘Nosferatu’, afgeleid van het Griekse
woord “nosophoros”, wat “ziektedragend” betekent (ja, ik heb ‘m ook
moeten opzoeken). Dat idee van vampirisme als een besmettelijke
ziekte die veel gemeen heeft met de pest is sterk aanwezig in de
hele film. Graaf Orlock wordt continu geassocieerd met ratten: niet
alleen lopen er voortdurend ratten door het decor, maar ook zijn
make-up is erop bezien hem zoveel mogelijk op zo’n beest te doen
lijken. En los daarvan is er natuurlijk het gegeven dat je vampier
wordt door bloed te drinken en te zuigen – Murnau is zich erg
bewust van de (weliswaar nogal voor de hand liggende) connotaties
die dat mee zich meebrengt: besmetting via lichaamsvloeistoffen,
gevolgd door een fatale ziekte. Geen wonder dat het
‘Dracula’-verhaal vele jaren later nog gebruikt zou worden als een
metafoor voor aids.

Die fascinatie met ziektes heeft veel te maken met de tijd
waarin ‘Nosferatu’ werd gemaakt. Tijdens het interbellum was
Duitsland in een diepe economische crisis gesukkeld als gevolg van
het verdrag van Versailles. Vlak na WO I was er bovendien een
verwoestende griepepidemie losgebroken die volgens sommige bronnen
meer doden eiste dan de oorlog zelf. Mensen hadden geen geld en
geen eten. De preoccupatie van Murnau met ziektes, en zijn gebruik
van de vampier als een ziektedrager, is dan ook niet meer dan
logisch. Wat daarbij wel verloren gaat, is Bram Stokers religieuze
inhoud. Er valt geen crucifix te bespeuren in ‘Nosferatu’ en de
manier waarop Dracula een persoonlijke vete had met God, wordt hier
volledig genegeerd.

Andere veranderingen aan de plot zijn veelal vereenvoudigingen,
die personages elimineren en het geheel rechtlijniger maken.
Professor Van Helsing, nochtans een centrale figuur in het boek,
komt hier maar heel even kijken en ook de eindconfrontatie tussen
Dracula/Graaf Orlock en de andere personages wordt geëlimineerd. De
vampier gaat in deze versie van het verhaal dood (spoiler, spoiler)
omdat hij te lang bij zijn “geliefde” Ellen wilt blijven en
getroffen wordt door het zonlicht (in Stokers boek kon Dracula zich
overigens wel degelijk bij daglicht voortbewegen, alleen was dat
niet zijn natuurlijke tijd; het cliché dat een vampier ter plekke
opbrandt als hij met daglicht in contact komt, werd in deze film
geïntroduceerd).

Dat alles wordt verpakt in een visuele stijl die, ondanks de
gezegende leeftijd van de prent, nog steeds rechtstreeks of
onrechtstreeks invloed uitoefent op (horror)films van tegenwoordig.
Eigen aan het Duits expressionisme is het gebruik van sterke,
dramatische lijnen – vaak diagonalen. Huizen die schots en scheef
staan, rekwisieten die vaak simpelweg niet in verhouding zijn en
zware, dramatische make-up. In het geval van ‘Nosferatu’ gebruikt
Murnau die stilistiek met mate. De decors zijn relatief realistisch
(vergelijk maar eens met ‘Das Cabinet des Dr. Cligari’, waarin de
personages haast alpinisten moesten zijn om een straat door te
lopen), maar de make-up is dan weer way over the top. Niet
alleen loopt Max Schreck rond als het grootste knaagdier ter
wereld, maar let ook op Alexander Granach als makelaar Knock, die
van onder zijn groteske wenkbrauwen loopt te grijnzen alsof hij
solliciteert voor “maniak van het jaar”.

Murnau houdt er overigens van om zijn personages te framen in
deuropeningen en andere doorgangen, wat een erg claustrofobische
sfeer opwekt en bovendien de grootte van personages kan
manipuleren. Als je wilt dat een personage er gigantisch groot
uitziet, dan moet je ‘m maar een deurgat helemaal op laten vullen
et voilà, je hebt je effect. Het horrorcliché om
personages aan de randen van het beeld te laten staan (je weet dan
namelijk nooit wat er zich net buiten die randen bevindt)
wordt hier ook gretig aangewend, samen met een aantal iconische,
onvergetelijke shots: denk maar aan Orlock die stokstijf recht
veert uit zijn doodskist (een beeld dat ontelbare malen geïmiteerd
en geparodieerd zou worden), of de schaduw van zijn hand die het
hart van Ellen vastgrijpt. Zelfs het gebruik van kleurtinten is
vooruitstrevend: sepia voor heldere shots, blauw voor scènes die
zich in het donker afspelen. Op bepaalde momenten blazen personages
bijvoorbeeld een kaars uit, waarna het beeld van sepia naar blauw
gaat.

De vereenvoudigingen van het verhaal werken niet altijd in het
voordeel van de film – Bram Stokers roman was verrassend rijk aan
thema’s en betekenislagen, en gedeeltelijk gaat dat verloren voor
een meer rechtlijnige aanpak, waarin sterk wordt ingezoomd op één
aspect (dat van vampirisme als ziekte, met een o zo lichte seksuele
ondertoon). Maar laat dat u vooral niet tegenhouden om deze
klassieker te ontdekken. Oké, je moet de afstand in tijd en
techniek overwinnen, maar als historisch document en voorloper van
zowat elke horrorfilm uit de tachtig jaar daarna, is dit niet te
missen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − twaalf =