Greed




Al sinds de uitvinding van de film werden pogingen ondernomen
om, zowel vormelijk als narratief, de limieten van het medium af te
tasten. Terwijl de Russische pioniers hun bekende montagetheorieën
begonnen uit te denken, ontstond in Hollywood een wedloop om de
langste, grootste, meest definitieve film, die alle andere
overbodig zou maken. D.W. Griffiths meest megalomane projecten
‘Birth of a Nation’ en ‘Intolerance’, respectievelijk 180 en 197
minuten lang, leken een eerste ijkpunt te vormen, maar ‘Greed’, het
magnum opus van acteur-regisseur Erich von Stroheim, verlegde qua
ambitie alle grenzen. Von Stroheim wilde absoluut alle scènes op
locatie filmen, spendeerde een half miljoen dollar aan
productiekosten – toen een ongezien hoog bedrag – en leverde een
final print af die maar liefst negen uur duurde. Onder
impuls van MGM, de studio die ‘Greed’ zou uitbrengen, werd de film
radicaal ingekort, tot er uiteindelijk een versie van een dikke
twee uur overbleef. Tot overmaat van ramp werden de geknipte scènes
vernietigd door een onwetende conciërge, zodat we de film die von
Stroheim initieel had gemaakt waarschijnlijk nooit te zien zullen
krijgen. Het dichtst in de buurt komt wellicht de reconstructie die
in 1999 werd uitgevoerd: een vier uur durende versie, waarin de
ontbrekende beelden werden vervangen door originele
filmstills.

Dat verhaal over het productieproces is intussen zo bekend dat
de eigenlijke inhoud van de film op de achtergrond is verzeild
geraakt. ‘Greed’ heeft het grootste deel van zijn status verworven
als het ultieme bewijs van de dictatoriale macht van de
Hollywoodstudio’s, die elke vorm van artistieke vrijheid in de kiem
willen smoren. Een vraag die volgens mij net iets te weinig gesteld
wordt, is of de kwaliteit van ‘Greed’ niet gebaat is geweest bij
die zogenaamde verminking. Eerlijk gezegd ken ik niet veel verhalen
die interessant genoeg zijn om negen uur lang te blijven boeien –
om niet te zeggen: geen enkel. Waarom zou ‘Greed’, gebaseerd op
Frank Norris’ roman ‘McTeague’, daarop een uitzondering moeten
vormen?

John McTeague (Gibson Gowland) is een simpele maar opvliegende
average Joe, die na het overlijden van zijn aan drank
verslaafde vader een carrière wil uitbouwen als tandarts. Zodra
zijn goede vriend Marcus (Jean Hersholt) hem laat kennismaken met
de schuchtere Trina (Zasu Pitts), voelt McTeague zich voor het
eerst in zijn leven aangetrokken tot het vrouwelijke geslacht.
Marcus heeft zelf ook een boontje voor Trina, maar trekt zich
ridderlijk terug wanneer McTeague hem zijn gevoelens vertelt.
‘Vriendschap boven alles,’ verklaart Marcus, ‘we mogen onze
vriendschap niet verknoeien vanwege een vrouw.’ Vanaf dat ogenblik
onderneemt McTeague zo veel wanhopige pogingen om Trina voor zich
te winnen dat ze niet anders kan dan toegeven en met hem trouwen.
Iedereen gelukkig dus, voor even. Pittiger wordt het wanneer Trina
dankzij een winnend lottobiljet zomaar even 5.000 dollar in de
schoot krijgt geworpen. McTeague wil een deel van het geld
gebruiken om van het leven te genieten; Trina sterft nog liever dan
één cent te moeten delen; en Marcus begint te beseffen dat hij zich
nogal gemakkelijk aan de kant heeft laten schuiven. Von Stroheim
heeft zijn pionnen in stelling gebracht. De strijd die zij zullen
beslechten, is er een op leven en dood.

Natuurlijk gaat het in ‘Greed’ om veel meer dan de 5.000 dollar
die Trina heeft gewonnen. Het geld vormt slechts de aanleiding, de
sneeuwbal die de vernietigende lawine op gang brengt. Het gaat om
rijkdom, om macht en – opvallend voor een stille film – om seks.
Zo is er een scène waarin Trina verdoofd in McTeagues tandartsstoel
ligt, klaar om door de tandarts verzorgd te worden. Als hij zich
over haar heen buigt, wordt McTeague echter gegrepen door de plotse
drang haar te zoenen. Hij probeert hardnekkig de verleiding te
weerstaan, maar kan zichzelf hoe langer hoe minder in bedwang
houden. Het is een fantastische scène, waarin de naïeve McTeague
zich van zijn meest onaangename kant laat zien. Plots krijgen we
een ander, meer genuanceerd beeld van hem, als iemand die neemt wat
hij kan en daarbij niet of nauwelijks rekening houdt met de
gevoelens van anderen.

Terwijl we McTeagues duistere verlangens leren kennen – zijn
wenkbrauwen lijken op te zwellen telkens hij zich kwaad maakt –
evolueert Trina van een charmante bruid naar een krankzinnige krent
die er blijkbaar een plezier in heeft om halfnaakt (!) over haar
centen te rollen. Met haar expressieve ogen, haar dikke, gitzwarte
haar en haar lijkbleke gelaat heeft ze bij momenten iets weg van
een bezeten maar breekbaar heksje, een Helena Bonham Carter
avant la lettre. Ook Marcus, die weliswaar een pak minder
in beeld komt dan de andere twee, ondergaat een fascinerende
transformatie tot een verbitterde, op wraak beluste valsaard. Het
knappe is dat von Stroheim, zeker in het geval van McTeague en
Trina, de gevoelens van zijn personages niet simplificeert: toch
een zeldzaamheid in de stille cinema. Zelfs wanneer de haat hoogtij
viert, krijgen we op een titelkaart te lezen dat Trina nog altijd
van haar echtgenoot houdt, misschien nog meer dan voordien.
Meermaals worden we eraan herinnerd – McTeague die zijn vrienden
trakteert, Trina die gaat schoonmaken op het plaatselijke
kerstfeest – dat het, ondanks hun hebzucht, au fond geen
slechte mensen zijn. Het is alsof hun geleidelijke ondergang wordt
bewerkstelligd door factoren waarover ze zelf geen controle
hebben.

Von Stroheim onderscheidt zich verder als een meester van de
statische longtake, waardoor de mise-en-scène een cruciale
rol krijgt toebedeeld. Dankzij de veelzeggende mimiek van zijn
acteurs en de rijke, prominent aanwezige symboliek valt er
weliswaar voldoende te zien om het grootste gedeelte van de film
interessant te houden. Misschien beweegt de camera nog het meest
van al tijdens de filmstills, die volgens mij nog meer dan
de oorspronkelijk opnames een idee geven van von Stroheims visuele
flair. Met hun zorgvuldige opbouw en hun indrukwekkende schaduwspel
lijken de foto’s uit een of andere Duitse expressionistische film
te zijn weggeplukt. Eveneens opmerkelijk is het terugkerende beeld
van twee uitgemergelde armen die doorheen tralies naar gouden
(ingekleurde) munten grabbelen. Het mensbeeld van von Stroheim
lijkt verontrustend cynisch, en het hoeft dus niet te verbazen dat
Lars von Trier, dat andere enfant terrible van de cinema,
de ‘von’ in zijn naam bij wijze van hommage heeft overgenomen.

The man you love to hate, zo werd von Stroheim tijdens
zijn carrière genoemd. Als acteur speelde hij voortdurend de
schurkenrol; als regisseur was hij een megalomane perfectionist,
die eiste dat zijn crew voor hem tot op het uiterste zou
gaan. Iedereen verklaarde hem voor gek toen bleek dat hij de
slotscène van ‘Greed’ wilde gaan opnemen in de woestijnvlakte van
Death Valley, bij helse temperaturen. Het was er naar verluidt zo
verstikkend warm dat er gekoelde handdoeken rond de camera’s
moesten worden gewikkeld en dat de ziekelijk vermagerde Jean
Hersholt begon te vrezen voor zijn gezondheid. Je zou dus zeker
vraagtekens kunnen plaatsen bij von Stroheims vermeende
genialiteit, als het eindresultaat tenminste niet zo overweldigend
was geweest. ‘Greed’ toont tenslotte de mens in al zijn lelijkheid,
in al zijn weerzinwekkendheid, maar tegelijk ook in al zijn
menselijkheid. De enige film die qua inhoud en qua grandeur de
vergelijking enigszins doorstaat, is There Will Be Blood van
Paul Thomas Anderson. Daar hebben we, zeggen en schrijven, 83 jaar
op moeten wachten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + negen =