Toutpartout Label Night, 28-29 november, Botanique

Ondertussen bestaat het boekingskantoor Toutpartout vijftien jaar en dat mag gevierd worden, met een boekersequivalent van een labelnight op 26 november in Londen bijvoorbeeld. Maar bovendien is Toutpartout ook (en vooral) een Belgisch bedrijf en dus krijgt de thuisbasis niet een maar twee concertavonden voorgeschoteld.

Toutpartout weet samen met de Botanique een mooie affiche samen te stellen, maar te elfde uren dienen toch nog twee hoofdvogels verstek te laten gaan: zowel Jason Molina als The Cave Singers worden van de affiche gehaald. Met nog veertien resterende bands, blijft er nog genoeg lekkers over voor de muzikale veelvraat. Alleen dient die wel van heel verschillende markten thuis te zijn om het menu in zijn geheel te smaken. Zelfs voor goddeau was het onmogelijk om alle bands met kennis van zaken te bespreken. Wat volgt is nog meer dan anders een persoonlijke keuze en reflectie van een onevenwichtige tweedaagse.

Dag 1: Allemaal beestjes

Wie het Londense duo Joe Gideon & The Shark aan het werk wou zien, kreeg tijdens de festivalzomer al de kans op Cactus en Dour. Dat de vergelijking met The White Stripes niet echt opgaat, was toen al duidelijk en ook vanavond wordt die stelling kracht bijgezet. “Hide And Seek” wordt opgebouwd met samples uit het keyboard en de keel van The Shark, terwijl de declamerende teksten van Gideon en een stuwende bas op hun beurt alles vertrappelen. Toch klinken de meer complexe passages een beetje geknutseld en opteren we voor de oerpatronen die Viva Seifert, The Shark dus, op haar vellen loslaat.

Het is ook laatstgenoemde die Gideon moet toefluisteren dat ze “Harum Scarum” zullen spelen, wanneer die staat te twijfelen of hij de bas, dan wel de gitaar over zijn schouder moet hangen. Al bij al geeft de band een wat uitgebluste indruk. Zeker in zo’n korte set mocht het iets meer stomen. Op dat vlak schiet het diertje genaamd Scout Niblett alvast niet te kort, zelfs al brengt ze — op “Dinosaur Egg” en “Your Beat Kicks Back Like That” na — nieuw werk, dat vooral als oud materiaal klinkt.

Nog steeds charmerend met stuntelig gitaarspel en catastrofaal gedrum, drijft Niblett steeds meer demonen uit haar kinderlijke lijf. “I can’t sleep in the bed I made myself”, klinkt het in een nummer over een impulsieve trip naar Mexico, waarna ze zich aan door flamenco geïnspireerde riffs waagt. De combinatie zot-onzeker-aandoenlijk blijft vooralsnog werken. Vraag is of ze er met steeds dezelfde formule een volwaardig vijfde album uit geperst krijgt. Zolang ze met zinnen als “My heart whispers / Just do it / And I agree / Cause I’m a doer” rondstrooit, blijven wij alleszins grote fan.

Ondanks Niblett’s capriolen is het buitenbeentje van de avond ongetwijfeld Shit & Shine (Hank & Lily hebben we na een niet overtuigende passage in het Vooruit-café enige jaren geleden maar gelaten voor wat het was). Onze oren staan immers afgesteld op de subtiele singer-songwriterklanken van Tony Dekker, daarnet (frontman van Great Lake Swimmers), die een prima optreden gaf. Het concert dat nu volgt is echter van een andere orde. Meer dan een half uur lang krijgt een centrale drumpartij een diarree van noise en onverstaanbare lyrics over zich heen.

Mannen met blauwe gezichten en konijnenoren mismeesteren een winkel aan effectenmodules en doen iets met een gitaar, keyboard én extra drum, dat volgens ons nergens terug te vinden is in de handleiding van het instrument in kwestie. Hoewel sommige passages de aanwezige kopjes aan het knikken krijgen, gaat dit bizarre schouwspel vooral snel vervelen. Bevreemdend sfeertje, dat wel, gelukkig is myxomatose vooralsnog niet overdraagbaar op mensen.

Dag 2: Oppervlakkig of oprecht?

Het érg Amerikaanse Deer Tick mag de tweede avond openen en doet dat niet eens zo slecht: de jonkies uit Providence lijken rechtstreeks weggelopen uit een groezelige bar aan een of andere duistere highway en maken het soort muziek waar de gemiddelde trucker behoorlijk blij van zou worden. “I could drink myself to death tonight,” klinkt het in de plakker “Smith Hill” en veel diepgaander hoeft het voor de countryrockers niet te worden.

Frontman John Joseph McCauley III heeft geen stem die blijft boeien — een optreden van een goed half uur lukt nog net — maar de rauwe samenzang van de vier heren tijdens “Hope Is Big” overtuigt wel. Echt mooi wordt het pas wanneer de deels a capella gezongen klaagzang “Dirty Dishes” en de ietwat rommelige afsluiter “These Old Shoes” van op debuutplaat War Elephant worden bovengehaald. Met zijn rudimentaire alt.country ontstijgt Deer Tick zelden het niveau van de echte caféband, maar de groep pretendeert ook niets meer te zijn en dat geeft hen een verfrissende charme.

De relatief magere opkomst voor het Canadese Lightning Dust in de Orangerie laat niet vermoeden dat de band een zijproject is van bekendere Black Mountain, noch dat hij met Infinite Light een uitstekende tweede plaat heeft uitgebracht. Daar het album nauwelijks dertig minuten haalt, grijpt de band net zo vaak terug naar zijn debuut dat overigens geheel in dezelfde lijn ligt en een vreemde fascinatie voor de jaren tachtig tentoon spreidt.

Ook live zweert de band (geruggensteund door drummer Ryan Peters en zangeres/bassiste Ashley Webber) bij dit decennium zonder in de val van pastichegroepen als Florence And The Machine te vallen. Want waar die laatste zich hopeloos blijft verliezen in georchestreerde pathos weet Lightning Dust de kwestbaarheid achter de goedkope klanken bloot te leggen. Uiteraard klinkt Amber Webber live nog meer als een verkouden Joanna Newsom, maar in combinatie met de overdreven aangeslagen pianoslagen van Joshua Wells werkt het nog beter dan op plaat. Kitscherig maar ook emotioneel oprecht.

Hoewel Githead zowel Wire-zanger Colin Newman als Robin “Scanner” Rimbaud in zijn gelederen telt en Multi-instrumentalist Dosh onder meer geregeld met Andrew Bird getourd heeft, is het overduidelijk dat het gros van het publiek voor The Black Heart Procession afgezakt is. De band rond Pall Jenkins en Tobias Nathaniel heeft de voorbije tien jaar dan ook een mooie schare fans opgebouwd en vijf uitstekende albums uitgebracht. Zonde dus dat de groep — niet geheel onbegrijpelijk weliswaar — vooral nummers uit het teleurstellende laatste album Six speelt.

Maar niet alleen aan de nummers zelf schort duidelijk wat, ook de band met Jenkins voorop lijkt zich maar niet te kunnen verliezen in de songs. Ze worden met verve en speeldrift gebracht, maar wie de band in 2006 aan het werk zag in deze zelfde zaal kan niet anders dan hoofdschudden besluiten dat het allemaal wat te veel naar automatische piloot neigt en dat de zwaarmoedige ondertoon van de vorige albums op geen enkel moment echt doorbreekt.

Op papier lijkt dit verjaardagsfeestje van Toutpartout indrukwekkend en ondanks de afzegging van twee dikke vissen blijft er voldoende lekkers over voor een feestmaal. Dat het vuur desondanks toch nauwelijks in de pan slaat, mag een gemiste kans heten. Ligt het aan de bands die live niet weten te overtuigen of is het daarentegen een te eclectisch keuzeaanbod geweest, zelfs voor muziekliefhebbers? Feit is dat het vijftienjarig bestaan van Toutpartout een beter geslaagd feestje verdient. Een herkansing binnen vijf jaar?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − 8 =