Manic Street Preachers + Peter Doherty :: 4 augustus 2009, Lokerse Feesten

Lokerse Feesten, dag 5 voelde een beetje aan als een match tussen het Groot-Brittanië van de jaren negentig en dat van de naughties. Een wat mat spelend Manic Street Preachers en een bij momenten geïnspireerde Peter Doherty maakten er uiteindelijk een gelijkspel zonder veel glorie van.

Met die typische Britse omkadering van de Hindu Night-DJ’s, had Lokeren nochtans voor een mooie inkleding gekozen. Tussen beide optredens horen we dan ook een massieve reeks Engelse popklassiekers van The Smiths, Stone Roses, New Order, Pulp, Blur en Vele Anderen passeren. Het perfecte recept voor een nachtje uit, maar met Manic Street Preachers begint alles middelmatiger dan zou mogen.

Wist de band vorig jaar op Pukkelpop tegen alle verwachtingen in een ware triomf uit de brand te slepen (zelden zagen we een quasilege wei zo snel vol stromen), dan is vandaag gewoon een werkdag als alle andere. Noch frontman James Dean Bradfield, noch bassist Nicky Wire lijken er erg veel zin in te hebben en na een weergaloos openend “Motorcycle Emptiness” — hun manier om het onverschillige publiek meteen weer even te herinneren aan de hits die ze hadden — gaat het meteen verder op automatische piloot.

Slechts zelden krijgen we in de eerste helft van het optreden opflakkeringen. Met “Tsunami” en “The Everlasting” (rammelig akoestisch gespeeld door Bradfield) wordt voor het eerst sinds lang nog eens naar het verguisde album This Is My Truth, Tell Me Yours teruggekeerd, maar het is “No Surface, All Feeling” (van op doorbraakalbum Everything Must Go) dat een eerste keer goed raak is.

Vreemd ook dat slechts tweemaal wordt geput uit het recente Journal For Plague Lovers. Een song als “Peeled Apples” valt met zijn bijna metalriff dan ook zwaar uit de toon tussen het anthemische werk uit de late jaren negentig. Eigenlijk had de groep van de gelegenheid gebruik moeten maken om nog eens uitgebreid het gelijkaardige The Holy Bible, het laatste album met de later vermiste gitarist Richey Edwards, te bezoeken. Maar liever blijft de groep iets te uitgebreid stilstaan bij de latere jaren, zoals een op klassieke (we bedoelen jaren zestig, zeventig) Eurosongfestivalleest geschoeid “Autumn Song”.

Die Richey Edwards heeft overigens voor het eerst sinds zijn verdwijning in 1995 vervanging gekregen. De jonge gitarist die wat achteraan wordt weggestoken (Edwards plaats links vooraan zal luidens Bradfield, Wire en drummer Sean Moore nooit meer ingenomen worden) geeft de band wat extra power mee. Wat de toetsenist op sax doet tijdens “Ocean Spray” is echter godgeklaagd: de trompet van het origineel wordt gemist.

Met “Everything Must Go” en “Little Baby Nothing” (alweer eentje dat al lang niet meer werd gespeeld), krijgen we plotseling wel een vol geluid en perfecte versies. Op zo’n moment krijgen we weer glimpen van hoe briljant de Manics op een goeie dag kunnen zijn. Die dag is niet vandaag, maar de oude publiekslievelingen “You Love Us” en “Motown Junk”, voorafgegaan door een flard “Stop In The Name Of Love”, hakken er stevig in. De groep is nog steeds op zijn best als hij de energie en de radicaliteit van de begindagen weer even bij het nekvel kan pakken. En dan is het alweer gedaan met een iets te snel gespeeld “If You Tolerate This, Your Children Will Be Next” waarin de band over zijn voeten struikelt. Ooit had Manic Street Preachers Peter Doherty met forfaitcijfers naar huis gespeeld, vandaag houden ze met moeite de nul op het bord.

Peter Doherty komt immers een pak sterker uit de hoek dan je op basis van zijn reputatie kon verwachten. Dat hij — zowaar vijf minuten te vroeg — kwam opdagen, was op zich al een overwinning, maar de jonge Brit ziet er dezer dagen zelfs behoorlijk patent en gezond uit. Nog groter is de verbazing als blijkt dat Doherty er vandaag helemaal alleen voor staat. Geen vergeten bandleden, gemiste vliegtuigen of muzikanten met Mexicaanse griep, deze keer is de solodoortocht een bewuste keuze, zij het geen evidente: wanneer Doherty aftrapt met “For Lovers”, lijkt hij aanvankelijk een klein jongetje op een veel te groot podium.

Dat duurt echter niet lang: Doherty zet een rammelende akoestische versie van “Don’t Look Back Into The Sun” in, eerst wat aarzelend maar al snel met een gloedvol enthousiasme dat de opwinding van de Libertines-tijden in herinnering brengt. Toch is dit ook de grootste zwakte van het optreden: songs als deze zijn niet gemaakt voor één man met een gitaar, hun kracht zat net in de wisselwerking tussen Doherty en Carl Barât en het energieke bandgevoel. Een paar extra muzikanten hadden dus niet misstaan, maar het publiek doet daar allemaal niet moeilijk over: de grote meerderheid komt duidelijk voor de oude Libertines-nummers, en blijft allesbehalve op zijn honger zitten. We krijgen natuurlijk geen “Boys In The Band”, maar met “Can’t Stand Me Now”, “Time For Heroes”, “Up The Bracket” en nog een handjevol andere, plukt Doherty wel rijkelijk uit zijn muzikale verleden. Hij is in goeden doen, en het is fijn om hem die nummers te horen spelen, maar nergens hebben we het gevoel dat de akoestische behandeling ook echt een verbetering is.

Voor de nummers uit Doherty’s soloalbum Grace/Wastelands werkt die aanpak wel. “Arcady” en “Salome” zijn kleine, intieme liedjes die misschien niet helemaal geschikt zijn voor de behoorlijk ongezellige festivalsetting van de Lokerse Feesten, maar ze laten wel een evenwichtige Doherty horen die zijn zaken stilaan op orde lijkt te krijgen en een degelijke performance weet neer te zetten. Ook bescheiden hitje “Last Of The English Roses” maakt indruk, en daar waren die flarden van Neil Youngs “Out On The Weekend” niet eens voor nodig. Doherty is overigens wel in de stemming voor wat covers: tijdens “Killamangiro” schakelt hij over naar The Specials voor een stukje “A Message To You, Rudy”, en aan het einde van de set haalt hij nog “Needle And The Damage Done” boven, al komt hij daarmee zelfs niet tot aan de enkels van Neil Young. Om het nummer toch nog wat kracht bij te zetten, waagt hij zich zelfs even aan een kleine “say no to drugs”-speech (die hij evenwel afsluit met “You can always give them to me, I’ll dispose of them properly”).

Wanneer zijn fles wijn helemaal leeg is, zit het er wat Doherty betreft zo goed als op, maar alvorens te vertrekken, schudt hij nog even een luidkeels meegebrulde versie met anthemallures van “Fuck Forever” uit de mouw. “So what’s the use between death and glory / I can’t tell between death and glory”: voor Peter Doherty lagen de twee vaak erg dicht bij elkaar, maar na vanavond helt de balans weer een beetje verder over naar het laatste.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − 7 =