Drag Me to Hell





Met : Alison Lohman, Justin Long, Lorna Raver, David Paymer
e.a.

Ik kan me niet voorstellen dat er dit jaar nog een film zal
uitkomen met een titel die meer tot de verbeelding spreekt als
‘Drag Me to Hell’. De frase heeft precies de juiste cadens van
zelfbewuste crappiness. Hij schreeuwt uit: “Kijk naar mij,
ik ben een ironisch bedoelde B-film!”, en verdomd, dat is ook
precies wat het is. Regisseur Sam Raimi heeft een meer dan welkome
pauze genomen van de ‘Spider-Man’-films om terug naar zijn
filmische heimat te keren. Begin jaren tachtig brak Raimi
door met zijn legendarische ‘Evil Dead’-reeks en voor het eerst
sinds hij in 1992 die trilogie afsloot met ‘Army of Darkness’,
keert hij terug naar het horrorgenre dat hem groot maakte. Wie goed
luistert, kan bijna een zucht van verluchting van achter de
camera’s horen komen. Nadat hij de voorbije vijf jaar doorbracht in
studio’s vol groene en blauwe schermen om actiemastodonten van meer
dan 200 miljoen dollar in elkaar te boksen, mag hij zich hier, met
een relatief bescheiden budget, nog eens helemaal laten gaan. Het
resultaat is dan ook een prent waar een onweerstaanbaar eenvoudig
filmplezier van afstraalt: zowel de cast als de crew lijkt zich te
amuseren en, wat ook altijd meegenomen is, de kijker mag delen in
de fun.

Alison Lohman speelt Christine Brown, een ambitieuze
bankbediende die aast op een promotie, maar van haar baas te horen
krijgt dat ze om die te krijgen, wat harder uit de hoek moet komen.
Wanneer een luguber oud dametje met een Oost-Europees accent en
ranzige vingernagels haar komt vragen naar een extra verlenging op
haar hypotheek, wijst Christine haar dan ook de deur. Bad
idea:
het omaatje blijkt een pissige zigeunerin te zijn die
Christine opzadelt met een verschrikkelijke vloek. Binnen de drie
dagen zal de bokkige demon Lamia Christine letterlijk mee de hel in
sleuren. De moraal: weiger nooit leningen aan lugubere oude
dametjes met Oost-Europese accenten en ranzige vingernagels.

Die hele premisse is op zichzelf natuurlijk een cliché, en daar
houdt het niet bij op: we krijgen Indische spiritisten,
bloedoffers, een ongelovig vriendje dat er voor het grootste deel
van de film voor spek en bonen bij zit en bovenal heel veel scènes
waarin een doodse stilte plotseling doorbroken wordt door een
schreeuwende duvel-uit-een-doosje, steevast vergezeld van een fikse
stoot ta-ta-DAAM!-muziek. Mocht Sam Raimi dit alles ernstig bedoeld
hebben, dan zou ‘Drag Me to Hell’ niet meer zijn dan een derderangs
horrorfilmpje dat volledig afhankelijk is van goedkope
“boe!”-momentjes. Het verhaal is zo oud als de straat, de
personages hebben de diepgang van een pot confituur en zowat elke
scène heeft wel een rechtstreekse voorganger ergens in het canon
van goedkope horrorfilms.

Het punt is echter dat Raimi het niét ernstig bedoelt. ‘Drag Me
to Hell’ zit vol met momenten van zijn gepatenteerde ziekelijk
gevoel voor humor, dat al meegaat van in de tijden van ‘Evil Dead’.
Raimi is dol op sick humour, en hij gebruikt al die
klassieke elementen van de goedkope B-horrorfilm (de nadrukkelijke
muziek, de voorspelbare schrikmomentjes, de clichématige situaties)
juist om die humor naar voren te brengen. Neem nu een scène aan het
begin van de film: Christine stapt in een half duistere
parkeergarage in haar auto, enkel om te ontdekken dat het lugubere
dametje op haar achterbank zit. “Ta-ta-DAAA” doet de muziek terwijl
het oudje haar gruwelijke gezicht in het licht brengt. Christine
begint te gillen (dat mag ze vaak doen in deze film) en het komt
tot een lange gevechtscène tussen de twee. Als thriller werkt die
scène een beetje – we schrikken heel even, omdat het nu eenmaal
moeilijk is om niét te schrikken wanneer volstrekte stilte
plotseling doorbroken wordt door luide muziek. Raimi’s timing is
vlekkeloos, maar het blijft een goedkoop schrikeffect. Maar dan
komt het: tijdens het gevecht begint het oudje op Christine’s kin
te sabbelen. Christine, op haar beurt, schiet enkele nietjes in
haar tegenstanders voorhoofd en zelfs één in haar oog. Yummie. Op
dat moment gaat Raimi er, zeer bewust, een eind over om een komisch
effect te verkrijgen.

En dat blijft hij dus een hele film lang doen. ‘Drag Me to Hell’
balanceert continu op de vage grens tussen horrorfilm en parodie:
de schrikmomenten werken, maar Raimi weet heel goed dat dat alleen
niet genoeg is. En dus geeft hij ons een tweede, ironische laag,
die nog veel beter werkt. Christine die plots zo’n krachtige
bloedneus krijgt dat ze haar baas onderspuit (“Did I get any in
my mouth?!”).
Of een scène waarin ze een lijk bovenop zich
krijgt, dat een eindeloze lading groen slijm in haar mond uitkotst.
Of mijn persoonlijke favoriet: de simpele regel tekst “Here
kitty!”
(Die op zichzelf misschien niet grappig is, maar wacht
tot je de film gezien hebt.) Raimi heeft vernederende of fysiek
pijnlijke situaties altijd al ongelooflijk grappig gevonden – iets
dat zelfs in de ‘Spider-Man’-films terug te vinden is – en hier
heeft hij een film gemaakt die enorm veel plezier schept in zijn
eigen gruwel. Hoe gruwelijker de situatie, hoe grappiger de
film.

Daarmee bevinden we ons weer op hetzelfde terrein dat Raimi
jaren geleden al betrad met ‘Evil Dead’, hoewel hij ditmaal minder
goorheden toont. Ik zat overigens te wachten op een cameo van Bruce
Campbell, die maar niet wilde komen (wat is er misgelopen?). De
regisseur beleeft er duidelijk lol aan: de hele film is eigenlijk
één lange knipoog naar zijn eigen oud werk en dat van zijn
collega’s. Het is een B-film, ja, maar dat is dan ook wat het moet
zijn.

De acteerprestaties zijn dan ook navenant: Alison Lohman toont
zich een nieuwe scream queen in een rol die vooral bewijst
dat ze een indrukwekkend stel longen heeft (zoals dat kind kan
kressen!). Voor het overige wordt er van haar geen Shakespeare
verwacht, maar ze weet duidelijk heel goed wat de toon van de prent
is en gooit er zich met volle overgave in. In de bijrollen is
Justin Long nogal kleurloos als het saaie vriendje, maar dat wordt
goedgemaakt door een zeer grappige David Paymer als Christines baas
en vooral door tv-actrice Lorna Raver als Mrs Ganush, de zigeunerin
meer afweet van vloeken uitspreken dan van persoonlijke hygiëne.
Raver laat haar r-en rollen alsof ze in een oude Frankensteinfilm
meespeelt, en zo hoort het ook. Subtiliteit is hier niet aan de
orde: Raver speelt een horrorcliché, en dat doet ze tot aan het
gaatje.

Je kunt ‘Drag Me to Hell’ onmogelijk grote cinema noemen, maar
het is precies wat het hoort te zijn: een ongegeneerde B-film
gemaakt door mensen die dat soort films toevallig graag maken, voor
mensen die dat soort films toevallig graag zien. Als er iemand
achter de camera staat met het talent en het onweerstaanbare gevoel
voor humor van Sam Raimi, reken ik mezelf maar al te graag tot die
mensen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 2 =