PUKKELPOP 2008 :: Marquee, vrijdag 15 augustus 2008

En daar zijn de eerste symptomen van vermoeidheid. Zowel voor als op het podium lijkt het niet evident om zich volledig te geven. Maar naarmate de dag vordert, blijkt het vertrouwen terug te keren.

Na een middelmatige doortocht in de Botanique begin dit jaar, ook nu een matige passage in de Marquee: Sons And Daughters beleven niet bepaald een topjaar. Nochtans zijn de songs er wel: het recente This Gift was een prima plaat, maar vergelijk de studioversie van “Darling” met wat hier op het podium gepresteerd wordt, en het weze duidelijk dat de Schotten beter kunnen. Met het bescheiden hitje “Dance Me In” lijkt de vlam even te ontbranden, maar eigenlijk is het kalf dan al verdronken. Het is dat we Sons And Daughters in het verleden wél al hebben weten overtuigen, anders zouden we de toekomst van deze band allesbehalve rooskleurig hebben ingezien na deze doortocht.

Gelukkig is er onze eigenste Grandaddy, zijnde Girls In Hawaii om de Marquee te hullen in schoonheid. Tegen een achtergrond van landelijke landschappen die zich misschien nog het best laten omschrijven als ‘Belgicana’, oogst de groep ontzag met zijn melancholieke garagerock. Dit concert zet de puntjes op de i en wijst het publiek er fijntjes op dat naast Vantage Point dit jaar nog meer indrukwekkende Belgische platen verschenen zijn. De schoonheid van Plan Your Escape wordt moeiteloos naar het podium vertaald alwaar “Fields Of Gold” zich laat opmerken als een nummer met eeuwigheidswaarde, dat voor heel even de luisteraar alle besef van tijd en plaats doet vergeten.

Minder duidelijk is de passage van Foals.We weten na enig beraad nog steeds niet goed wat van deze band te denken. Het is een bende roteigenzinnige Britten die een behoorlijk aanstekelijke brij van gitaarriedeltjes en weerbarstige ritmes produceert. Een iets meer poppy versie van Battles: niets op tegen, maar we zaten er nu ook niet echt op te wachten. Live jamt Foals er flink op los, waardoor de nummers toch wat anders klinken dan op plaat en een en ander op inventieve wijze aaneen geregen wordt. Ook nu weer is “Cassius” een zeer efficiënte aanval op onze dansbenen, maar na twintig minuten zijn we het energiek gesyncopeer weer beu. Foals mag dan al een geweldige live-groep zijn, om evenlang te kunnen boeien als muzikale soortgenoten Battles moeten ze nog veel boterhammen eten, of misschien toch uit een iets origineler vaatje tappen. Hun mixer vragen om de boel wat subtieler te mixen, kan ook helpen.

Het is dat we immens veel respect hebben voor Tim Vanhamels CV. Na een vijftal optredens met je eerste groepje (Sister Poo-Poo) gevraagd worden als nieuwe Evil Superstar door die andere Grote Held Mauro, om vervolgens even bij dEUS te gaan spelen, met Millionaire Josh Homme te verbazen en als producer binnen te halen om er vervolgens kletterende ruzie mee te krijgen: faut le faire. Het is dus omdat hij als muzikant al meer gepresteerd heeft dan wij ooit mogen hopen en we niet graag op een gebroken hart trappen, dat we onze mantel der liefde graag bovenhalen voor zijn solo-album. We zaten dan ook stiekem te hopen op een flard Millionaire of zelfs Evil Superstars (als Mauro dat mag…), maar zoals verwacht beperkte Vanhamel zich tot de songs uit Welcome To The Blue House. Live klonk een en ander een stuk steviger en boeiender, maar zelfs in de uitmuntende uitvoering van vrijdag blijft “Until I Find You” een behoorlijk doordeweekse rockballad (al is het een waar Chris Martin wellicht een arm en een been voor veil zou hebben). Hoe charmant en getalenteerd ook, we hebben Tim Vanhamel liever gemarineerd in een soep van waanzin, slapeloze nachten, foute drugs, seks en rock-‘n-roll. Inderdaad, wij zijn soms opinionated bastards, maar dit was gewoon een erg goed optreden en dus ook de eerste keer dat we Vanhamel minder waanzinnig fantastisch zagen zijn.

The Breeders doet duchtig mee met de resem oude gloriën die ons collectief geheugen als een hoofdkussen opschudden, door na een decennium (of meer) nog eens een nieuwe plaat en de daaraan gekoppelde tour aan te kondigen. Dat nieuwe materiaal is zelden indrukwekkend en de versies van de oude hits klinken live nooit beter dan in de periode wanneer het nummer echt hot was. Jawel, de nostalgie van een volgelopen Marquee werd beloond met "Cannonball", maar als we dat nummer moeten horen in een makke set of in de late uren op een vettige fuif is onze keuze snel gemaakt.

We hielden ons hart vast voor de passage van Tindersticks in de Marquee, terwijl Metallica op de achtergrond van jetje zou geven, en ook de band was er niet gerust op, zo hoorden we. Die klamme handjes konden we echter al bij de eerste noten afdrogen: op het vage achtergrondgerommel na dat je op een festivalwei nu eenmaal altijd hebt, kregen we loepzuiver Tindersticks en alleen dat te horen. En wat voor optreden was het, dat het slechts kleine publiek — zijn die metalen kabouter Plops echt zó populair? — voorgeschoteld kreeg: van bij opener “Yesterdays Tomorrow” zit alles snor, met blazers en strijkers die de songs losjes bijkleuren en daarboven Stuart Staples machtige brom. De tot een smachtende ballad vertimmerde discocover “If You’re Looking For A Way Out” is nog altijd zuivere soul, “Dying Slowly” verstilde pracht en afsluiter “The Turns We Took Together” van zo’n pure schoonheid dat het tintelde tot in onze tenen. Het had een ramp kunnen worden, maar in plaats daarvan werd dit optreden van Tindersticks één van de sterkste van deze Pukkelpopeditie. Heerlijk.

Elders leest u hier wat onze (mvm) van Metallica vond, wij besloten onze dag met het exorcisme van The Gutter Twins. “Ik ga mijn best doen om deze keer het einde van de show te halen”, grapt frontman Greg Dulli nog even ter verontschuldiging van het zwakke optreden afgelopen lente in de AB, maar daarna is het volle ernst. “I hear the rapture coming”, krijst Dulli in opener “The Stations” en vanuit de halfschuduw treedt bloedbroeder Mark Lanegan hem bij. De donkerste krochten van de menselijke ziel worden opgezocht, en met de zindere riff van “Idle Hands” kent het optreden een vroeg hoogtepunt. Niet alleen Dulli zingt zich het vuur uit de longen, ook Lanegan hebben we nog nooit zo gloedvol horen zingen als vandaag, maar wanneer de band enkele rustige nummers bovenhaalt, zakt dit optreden even hopeloos in elkaar. Even maar, want met “Front Street” besluiten de Satanische Everly Brothers met een ware duiveluitdrijving. “We’re gonna have some fun, son” schreeuwt Dulli onophoudelijk, en iets in ons zegt dat hij bepaald onaangenaam vertier in gedachten heeft. Geen idee hoe ze het doen, maar Pukkelpop, Lanegan en Dulli, het blijkt er telkens opnieuw boenk op: hulde!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 − tien =