Polsslag :: 19 april 2008, Grenslandhallen

Grote festivals in het voorjaar, het was tot nu toe in ons Belgenland een grote leemte. Pukkelpop-organistor Chokri Mahassine trachtte die dit weekend met Polsslag te vullen, en bezorgde zijn gasten een fijne dag met de nodige hoogtepunten, maar jammer genoeg ook een paar teleurstellingen.

Polsslag brengt de Pukkelpop-formule naar de zaal: vier podia die het beste en het heetste in het ruime muzieklandschap trachten tentoon te spreiden, zoals de naam van het festival duidelijk maakt. Het nadeel van die formule is natuurlijk dat je in het zoals gewoonlijk zeer ruime programma ook dingen tegenkomt waarvan men zich kan afvragen hoe ze er ooit op beland zijn. De groep die dankzij een package deal met Millencolin de marquee mag openen, Dead To Me, is er zo een van: zoutloze punkrock die in een lokale rockrally het zelfs zou moeten afleggen tegen de eerste de beste Jostiband-variant. Nee, voor goede muziek moest je op dit ontiegelijk vroege uur in de Club zijn, waar Devastations een half uurtje kreeg om het nogal geringe publiek te overtuigen van zijn kunnen. En dat deden ze met glans: hun shoegazepop lokte steeds meer volk naar het zaaltje, en die kregen direct waar voor hun geld. Oudje “Previous Crimes”, een middelmatige ballad met clichéontlading, stak wat tegen, maar single “Mistakes” was met zijn coole baslijn en spacey accentjes behoorlijk indrukwekkend, en ook het met dreiging en Psychocandy noise overladen “Rosa” werd goed onthaald. Niets wereldschokkend, maar een betere opener hadden we Polsslag niet kunnen toewensen.

In de marquee namen de jonge snaken van Steak Number Eight ondertussen beslag op het grote podium. Er was veel belangstelling van het publiek, en dat is ook logisch: ze hebben een zege in Humo's Rock Rally te rechtvaardigen. En zo geschiedde: we zagen de groep een perfecte Isis doen, met opener “The Sea Is Dying” die als ideale soundtrack voor de apocalyps fungeerde. Ook de nieuwe, meer rockende nummers als “Blood On Our Hands” en “Sound Of Silence” (van Simon noch Garfunkel) waren ferme muilperen, en tegen de tijd dat “My Hero” over het publiek heen raasde, was er geen reden meer om te twijfelen aan Steak Number Eight. Geeft men deze groep tijd om een eigen gezicht te kweken, dan ligt er een mooie toekomst voor hem weg.

Nog maar goed en wel bekomen, of daar kreeg men de volgende revelatie al in de maag gesplitst. “What's in a name!?”, was het eerste dat in ons opkwam toen Holy Fuck! zijn met samples en loops gelardeerde groove op de heupen van het publiek afvuurde. Terwijl de strakke ritmesectie funky stond te wezen, werd er door de twee andere heren naar hartelust met spacey effectjes en geschifte noise gespeeld, iets wat ervoor zorgde dat het jonge en talrijke volkje zich al snel aan menig danspasjes waagde. Het gierende “Royal Gregory” en de poppy afsluiter “Lovely Allen” (die viooltjes!) waren de prijsbeesten van de veel te korte set. Deze futuristische troonopvolgers van ESG en electropopperverten Suicide gaven vandaag zowat het beste concert van alle jonge beloftes op de affiche.

Styrofoam viel dan weer tegen: Arne Van Petegems aan New Order schatplichtige electropop was leuk en dansbaar, maar ook te vrijblijvend om echt indruk te maken. Nummertjes als “Bright Red Helmet”, “Other Side Of Town” of single “After Sunset” zijn wel te pruimen, maar voor de rest passeerde er niet veel de revue dat echt bleef hangen, ondanks het rockende randje dat het trio er live aan gaf. Naar iLiKETRAiNS dan, waar de zomerse vibe prompt werd ingeruild voor uitzichtloosheid en ander leuks. In hun ondertussen vertrouwde zwart-witte uniform dreven de heren hun innerlijke demonen al onmiddellijk uit in opener “Twenty Five Sins”, waarna het gitzwarte “A Rook House For Bobby” met de hulp van de rotslechte zaalakoestiek in al zijn ontij meerdere trommelvliezen deed scheuren. Versterkerproblemen deed de groep even uit zijn rol vallen en was ook een welkome rustpauze voor onze oren, maar algauw zetten de onheilsprofeten het gevecht op leven en dood weer voort met de nieuwe single “We Go Hunting”, waarna we mee het vagevuur ingesleurd werden met “Voice Of Reason” en afsluiter “Death Of An Idealist”. Je kan jezelf vragen stellen bij deze pathospletwals, maar wij lustten er wel pap van.

En als dat al niet genoeg miserie was, werd men in de marquee geconfronteerd met Mindless Self Indulgence, het soort met puberale humor doorspekte muzikale diarree waarop ze in minder democratische landen nog altijd de doodstraf zetten. Gelukkig zijn er The Ting Tings nog, die met het bescheiden en aanstekelijke hitje “Great DJ” de nodige verwachtingen hadden in te lossen. Het duo paaide er dan ook onmiddellijk het talrijke publiek mee, waarna een kleine volksverhuizing richting uitgang plaatsvond toen ze “Foot Machine” inzetten. Niettemin konden frontvrouw Julie White, een moderne maar minder stekelige versie van Debbie Harry, en drummer Jules De Martino met hun dansbare, aan Elastica ontlenende punkpop op veel bijval rekenen van het resterende publiek. Wij hadden het toch iets minder op hen: toegegeven, de nummers zijn tof en dansbaar, maar ze lijken ook allemaal op vijftien seconden geschreven. En met de trage reggae van “Traffic Light” vielen ze zelfs even door de mand, het opzwepende “Shut Up And Let Me Go” en een degelijk “That's Not My Name” ten spijt. Een lichte teleurstelling.

Blonde Redhead leverde dan weer een set af die op zijn zachtst gezegd indrukwekkend was. Het lieflijk elfje Kazu Makino en de tweeling creëerden in de betonnen Grenslandhallenbunker een mierzoete droomwereld met een sinister randje, dat ondanks alle zaalecho het publiek overmande. Prachtige uitvoeringen van “Dr. Strangeluv”, “SW” en “The Dress” brachten ons al snel in vervoering, en geen enkele idiote schreeuwlelijk met een fotocamera-GSM die ons uit die dromerige extase kon sleuren. Maar in het zachtaardige en jazzy geluidsdekentje zaten de nodige stekeltjes, zoals de knetterende opener “Spring And By Summer Fall” en de verpletterende versie van “Melody Of Certain Three”, dat zich ontpopte tot een oorverdovende en wanhopige, maar tegelijk o zo verslavende nachtmerrie voor de nietsvermoedende luisteraar. Met “23” uit de gelijknamige plaat kreeg deze gelukkig nog een laatste keer de bedwelmende droompop van de groep voorgeschoteld, waarna de lichten brutaal aangingen en de trip ten einde was. Onaardse en verpletterende schoonheid, dat was het. Een uur op een zaterdagnamiddag is veel te weinig voor deze groep.

Voor Foals maakte presentator Eppo Janssen nog maar eens duidelijk dat de groep, ondanks de look, niet onder mathrock te klasseren valt. Nauurlijk niet: de stekelige gitaartjes en stuiterende ritmes hebben meer van doen met de gitaardialogen van Gang Of Four dan met Don Caballero. De groep spreidde een mateloze energie tentoon die behoorlijk aanstekelijk werkte. Tel daarbij de vele bommetjes die ze op het publiek dropten, en je kan spreken van een geslaagd optreden. De geweldige single “Cassius” en het stuiterende “Olympic Airways” brachten de massa in beweging, terwijl het met Reichiaanse repetitie geladen “Two Steps, Twice” indruk maakte. Waarom de roadie halverwege een mop moest komen vertellen, blijft een raadsel, maar Foals heeft met zijn optreden in ieder geval veel fans bijgekregen.

Bij The Breeders werden de nodige nostalgici in het wat dun gezaaide publiek gespot, en die kregen wat ze wouden: véél oude nummers. Is de groep beschaamd over het nochtans best te pruimen Mountain Battles? Ironisch genoeg behoorden die vijf nummers uit het nieuwe album, met “Bang On” dat live veel beter uit de verf komt, tot het beste van wat de groep hier presteerde. Want ze waren rommelig en slordig, ja, soms ronduit slecht. Uitstekende versies van “Divine Hammer”, “No Aloha!”, een versneld “Cannonball” en “Happiness Is A Warm Gun” waren eenzame hoogtepunten. Terwijl de zusjes Deal overduidelijk lol hadden (hun bulderlach heeft al meerdere gebouwen op hun grondvesten doen daveren), konden wij alleen maar teleurgesteld afdruipen na een concert dat meer weghad van een repetitie.

Millencolin, José Gonzalez en Blink 182-nazaat Angels And Airwaves speelden dan misschien wel later, maar Isis was voor ons de enige echte headliner voor Polsslag. Het recept is ondertussen overbekend: de spanningsboog, de trage opbouw en de kolkende erupties van de ingehouden woede en emotie die zelfs een ervaren vulkanoloog uit zijn sokken blazen. Maar dat maken de kopstoten (7 stuks) die de groep hier vandaag aan zijn publiek uitdeelde er niet minder hard, genadeloos en opwindend op. De groep, veruit de populairste van alle Neurosis-adepten — temeer omdat ze zelf school maken, zoals fans Steak Number Eight nog maar eens bewijzen –, bleef een uur lang genadeloos inbeuken op de headbangende massa, sleurde die mee naar de diepste krochten van de hel, en deelde constant mokerslagen uit die na een tijd niet meer te harden waren. Live is Isis ofwel een kabbelend beekje met af en toe wat troebel water, of een geluidsorkaan met een bedrieglijk oog van de storm. Gelukkig was het vandaag het tweede: een niet aflatend spel van opbouw en afbouw, sereniteit en compleet lawaai, een strijd om leven en dood die velen murw achterliet. Isis was groots.

En zo ging Hasselt, met de nodige DJ's en ander vertier, de nacht in. Conclusie: Polsslag was een geslaagd experiment met genoeg variatie en aangename groepen om het publiek te boeien. Hopelijk tot volgend jaar.

Zie www.wannabes.be voor meer foto's. 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 4 =